Boete wegens valgevaar bij afbreken steiger

Een inspecteur SZW krijgt een melding dat een werknemer bezig is met het afbreken van een systeemsteiger rond de plaatselijke kerktoren op een hoogte van ca. 15 meter. De man was niet aangelijnd en had volgens de controleur zo naar beneden kunnen vallen. Er volgt een boete van 21.600 euro die in beroep bij de rechtbank wordt verlaagd tot 16.200 euro. Hoger beroep van de werkgever is vergeefs.

Feiten

In mei 2014 krijgt een arbeidsinspecteur melding van een gevaarlijke arbeidssituatie in Dronrijp. Er was iemand op grote hoogte bezig met het afbreken van een systeemsteiger geplaatst bij de plaatselijke de parochiekerk Maria Geboorte kerktoren. Er zou zonder beschermingsmaatregelen op 15 meter hoogte worden gewerkt. Later die dag krijgt de inspecteur foto’s waarop hij constateert dat een persoon bij het afbreken van een systeemsteiger wordt blootgesteld aan valgevaar. Hij droeg geen valharnas en was niet aangelijnd. Ook andere voorzieningen ontbraken. Na bezoek op de locatie en hoor van de werknemer volgt een boete van € 21.600 wegens overtreding van art. 3.16 Arbobesluit. De werkgever maakt vergeefs bezwaar. In beroep benoemt de rechtbank een deskundige voor nader onderzoek. Die is van oordeel dat bij het afbreken collectieve voorzieningen mogelijk waren. Niettemin was de werkgever zich bewust van de risico’s en was voldoende instructie gegeven, gericht op het gebruik van Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s). De boete wordt gematigd met 25% tot € 16.200. De rechtbank acht dit een evenredige sanctie. De werkgever niet.

Oordeel Raad van State

Bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voert de werkgever drie bezwaren aan. De deskundige die door de rechtbank is benoemd zou partijdig zijn omdat hij enkele jaren bij de Arbeidsinspectie heeft gewerkt. Maar volgens de Afdeling was de man als sinds mei 2000 als onafhankelijk bouwadviseur werkzaam. Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld, dat de totstandkoming van het deskundigenrapport geen aanleiding geeft voor twijfel aan de onpartijdigheid van de deskundige. Als tweede konden volgens de werkgever collectieve middelen, gezien de complexe constructie, niet worden toegepast. De afdeling stelt vast, dat er geschil is, of zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 3.16, vijfde lid Arbobesluit. Aanbrengen van collectieve voorzieningen in de vorm van voorloopleuningen zou grotere gevaren met zich meebrengen dan de arbeid ter beveiliging waarvan deze voorzieningen zouden moeten dienen. De werkgever heeft een risico-inschatting overlegd, gemaakt door een HVK-er aan de hand van een niet nader gemotiveerde formule. De gecertificeerde Hoger Veiligheidskundige van de inspectie heeft op de zitting bevestigd dat onderbouwing van de gekozen waarden ontbreekt, hetgeen de beoordeling volgens hem subjectief maakt. Ook zouden enkele gevolgen te laag zijn ingeschat en past de beoordelingsmethodiek niet goed op de situatie in deze zaak. Daarmee heeft de werkgever niet aannemelijk gemaakt, dat de rapporten van de deskundige zodanig gebrekkig waren dat de rechtbank die terzijde had moeten leggen. Ten slotte betoogt de werkgever, dat de boete niet was afgestemd op het aantal werknemers. Totaal gaat het om 130 werknemers, maar bij de steigerbouw werken slechts 20 man. Maar volgens de Afdeling laat dit onverlet, dat de boete mag worden opgelegd op grond van het totaal aantal werknemers. Het bedrijf geniet niet alleen omzet uit de steigerbouw maar ook van de overige activiteiten. Het beroep wordt verworpen.

Aantekening

De steigerbouwer heeft betoogd, dat wordt voorgeschreven dat de medewerkers, als een leuning ontbreekt bij het werken op hoogte, zich altijd zich moeten aanlijnen. Hij vond ook, dat hij er niets aan kon doen dat dit in deze situatie niet was gebeurd. Maar de minister en de Raad legden dit verweer terzijde en oordelen, dat sprake is van een zware overtreding.

De werkgever heeft drie bezwaren ingebracht. Daarbij speelt een belangrijke rol de ri&e waaruit zou blijken, dat het aanbrengen van collectieve voorzieningen in de vorm van voorloopleuningen grotere gevaren met zich zou brengen dan de arbeid ter beveiliging waarvan deze voorzieningen zouden moeten dienen. Hij heeft daarbij geconcludeerd dat het aanbrengen van voorloopleuningen vanaf een dicht gelegde werkvloer, niet risico-verhogend is en dat het aanbrengen van voorloopleuningen zeker geen groter gevaar met zich brengt dan het gevaar waartegen de leuningen beschermen, namelijk het gevaar van vallen van hoogte. De Afdeling geeft aan, dat al eerder is overwogen (ECLI:NL:RVS:2016:986, overweging 7.1), dat een bestuursrechter in beginsel mag afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat is slechts anders als dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of zodanige gebreken bevat, dat het niet als basis voor de oordeelsvorming kan dienen. In dit geval twijfelt de Afdeling niet aan de zorgvuldige totstandkoming van de door de deskundige opgestelde verslagen. De werkgever heeft om de conclusies van de deskundige te weerleggen een brief van een Hoger Veiligheidskunde overlegd die aan de hand van een formule een risico-inschatting heeft gemaakt. De formule voor de waarde-toekenning was niet nader gemotiveerd. De (gecertificeerde) Hoger Veiligheidskundige van de Arbeidsinspectie, heeft op de zitting bevestigd dat een onderbouwing van de gekozen waarden ontbreekt. Dat maakt de beoordeling volgens hem subjectief.

Welke formulering precies is gebruikt wordt uit de gepubliceerde uitspraak niet duidelijk. Maar het zou de veel gebuikte risicobeoordeling van Fine en Kinney geweest kunnen zijn. Met deze praktische methode kunnen risico’s snel en eenvoudig worden gekwantificeerd, waarbij de risicoscore wordt berekend volgens de formule R = Ernst (E) x Blootstelling (B) x Waarschijnlijkheid (W). Er zijn waarden aangegeven voor E, B en W. Dit zijn echter geen wetenschappelijk gefundeerde waarden, maar meer praktische gegevens die behulpzaam kunnen zijn bij het inschatten van risico’s en de vermindering daarvan door het kwantificeren van de te nemen of genomen maatregelen.

De les uit dit verhaal is, dat bij de keuze van beschermingsmiddelen de arbeidshygiënische strategie goed in acht moet worden genomen.

Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1222