Trainingscentrum is geen werkgever van cursisten

Bij een brandweertraining op een externe locatie valt een bevelvoerder in een trapgat. Het trainingscentrum krijgt een boete omdat het valgevaar onvoldoende is tegengegaan. De rechtbank draait de boete terug omdat er geen sprake is van een werkgever-werknemerrelatie.

 Feiten

In maart 2013 volgt een bevelvoerder van een Gemeentelijke Brandweer een training voor brandweerpersoneel in een trainingscentrum. De training is door de brandweer georganiseerd. Tijdens een oefening valt de bevelvoerder in dichte rook voorover in een trapgat ongeveer 3,5 meter naar beneden op een betonnen vloer en loopt blijvend letsel op. Omdat het valgevaar onvoldoende is voorkomen – overtreding van artikel 3.16 Arbobesluit – krijgt het trainingscentrum in juni 2015 van de minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid (SZW) een boete van € 21.600. Het directie van het centrum maakt bezwaar. Zij is van mening, dat zij niet als werkgever kan worden aangemerkt zoals bedoeld in artikel 1 van de Arbowet. Voor dat werkgeversbegrip is immers bepalend, dat er een gezagsverhouding bestaat. De minister wijst dit bezwaar in augustus 2016 af. Het trainingscentrum gaat in beroep bij de rechtbank. Die behandelt de zaak op 2 juni 2017, ruim 4  jaar na het incident.

Oordeel rechtbank

De rechtbank gaat uit van de definitie van het werkgeversbegrip uit de Arbowet. Die verstaat onder het begrip werkgever (voor zover in deze zaak van belang) in artikel 1, tweede lid onder a, onder 1o : degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten. De ander is dan de werknemer, met uitzondering degene die als vrijwilliger arbeid verricht. De Inspectie SZW heeft een overtreding geconstateerd van artikel 3.16 Arbobesluit, omdat de bevelvoerder arbeid verrichtte waarbij valgevaar bestond, zonder dat dit gevaar door het trainingscentrum is tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. De inspectie was van oordeel, dat de bevelvoerder onder gezag van de trainer werkte, waarmee sprake was van werkgever en werknemer in de zin van de Arbowet.

 

Uit het boeterapport blijkt dat het trainingscentrum de risico’s van de training vooraf beoordeelt, naar aanleiding daarvan instructies geeft en toezicht houdt op de naleving. De veiligheidsfunctionaris van het centrum mocht ingrijpen als dat noodzakelijk zou zijn. Maar dat er tijdens een training instructies worden gegeven die moeten worden opgevolgd, betekent volgens de rechtbank nog niet, dat gesproken kan worden van een gezagsverhouding zoals bij een werkgever-werknemerrelatie. De omstandigheid dat een functionaris van de trainingsschool toezicht hield op en verantwoordelijk was voor de veiligheid tijdens de training is naar het oordeel van de rechtbank daarvoor evenmin voldoende. Ook is volgens de rechtbank niet gebleken dat de Gemeentelijke Brandweer het gezag over de bevelvoerder voor de duur van de training heeft gedelegeerd aan de trainingsschool. Alles overwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de Minister van SZW niet aannemelijk heeft gemaakt dat de trainingsschool op grond van de Arbowet als werkgever van de bevelvoerder kan worden aangemerkt. Daarom was de minister van SZW niet bevoegd de trainingsschool een boete op te leggen. Het beroep is gegrond en de boete wordt teniet gedaan.

 Aantekening

Tussen beide partijen is niet in geschil, dat er geen sprake is van werkgeverschap zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Arbowet. In geschil is of eiseres als werkgever van de bevelvoerder kan worden aangemerkt op grond van artikel 1, tweede lid, onder a, onder 1°, van de Arbowet. Bepalend voor het werkgeversbegrip als bedoeld in dit artikellid is het bestaan van een gezagsverhouding. Het begrip gezagsverhouding is niet in de wet gedefinieerd. Bij de beoordeling of sprake is van een gezagsverhouding dient volgens vaste rechtspraak acht te worden geslagen op alle relevante feiten en omstandigheden. In de Memorie van Toelichting bij de Arbeidsomstandighedenwet (Tweede Kamer, 1997-1998, 25 970, nr. 3, p. 35 en verder) wordt hierover opgemerkt dat, ook al is er geen arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke aanstelling er toch sprake kan zijn van een werkgever-werknemerrelatie in de zin van de wet, indien arbeid onder gezag wordt verricht. Volgens de MvT moet hierbij worden gedacht aan stagiaires en mensen die vrijwilligerswerk verrichten. De rechtbank acht het niet in lijn met deze voorbeelden om in de situatie dat een werknemer voor zijn werkgever een training volgt bij een derde partij, deze derde partij gedurende de training als werkgever aan te merken in de zin van de Arbowet. Dat er tijdens een training instructies worden gegeven die dienen te worden opgevolgd, betekent nog niet dat gesproken kan worden van een gezagsverhouding zoals bij een werkgever-werknemerrelatie. De omstandigheid dat het trainingscentrum toezicht hield op en verantwoordelijk was voor de veiligheid tijdens de training is volgens de rechtbank evenmin voldoende, omdat dit zich ook kan voordoen in een andere situatie dan een werkgever-werknemerrelatie. Verder is volgens de rechtbank niet gebleken dat de Brandweer het gezag over de bevelvoerder voor de duur van de training heeft gedelegeerd aan het trainingscentrum. De training was georganiseerd door de Brandweer en in diens opdracht uitgevoerd door het trainingscentrum. De oefening stond onder leiding van de Brandweer en het trainingscentrum stelde daarvoor de faciliteiten beschikbaar. Ook waren twee instructeurs van de Brandweer aanwezig bij de training om het functioneren van hun manschappen te beoordelen. En uit het boeterapport blijkt, dat het ook de Brandweer is, die het ongeval heeft gemeld bij de inspectie SZW. Gesproken kan worden van een opmerkelijke uitspraak. Het is dan ook niet uitgesloten, dat de minister van SZW nog (hoger) beroep aantekent bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State om dit hoogste bestuursrechtscollege te laten oordelen over de zaak. Het is niet bekend of dit ook is gedaan.

 

Wellicht dat in een deze situatie een boete, opgelegd op grond van overtreding van art. 10 Arbowet wel stand had gehouden. Immers: de werkgever – in dit geval dus als  eigenaar van het trainingscentrum – moet ook zorgen voor de veiligheid van derden op zijn terrein. En dat kan ook gelden in een trainingssituatie waar – op grond van deze uitspraak- geen sprake is van een werkgever-werknemerrelatie.

Als faciliteiten ter beschikking worden gesteld, bijvoorbeeld voor trainingsdoeleinden, dan behoort degene die dit doet wel te zorgen voor veilige omstandigheden. Maar er is geen sprake van een werkgever/werknemerrelatie. Wel kan de facilitator worden aangesproken op het voorkomen van gevaar voor derden.   

Rechtbank Rotterdam, 16 januari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:248