Discriminatie wegens zwangerschap

Een vrouw krijgt na drie inleningen bij dienstverlener Webhelp Nederland BV geen vast contract aangeboden. Volgens de vrouw kwam zij daarvoor wel in aanmerking, maar ging dat niet door omdat zij zwanger was. Het College voor de Rechten van de Mens oordeelt, dat sprake is van discriminatie wegens zwangerschap. 

De feiten

Een vrouw werkt op basis van inlening vanuit Payrol Select CC Diensten BV bij Webhelp Nederland BV, een zakelijke dienstverlener. Na drie inleningen gaat de dienstverlener niet met haar verder. De vrouw zegt dat zij is gediscrimineerd. Volgens haar zou zij een ‘Webhelp-contract’ krijgen maar dat ging niet door omdat zij zwanger was. Ook de inlening werd om die reden niet verlengd. Toen de laatste inlening afliep was zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof. De werkgever vindt, dat er geen sprake was van discriminatie. De vrouw legt het geschil voor aan het College voor de Rechten van de Mens (Verder: het College) 

Oordeel College

Het College hoort als getuige de voormalig leidinggevende van de vrouw. De chef heeft het bedrijf inmiddels verlaten. Hij verklaart dat de vrouw op de kandidatenlijst stond voor een contract en het verbaast hem, dat zij toch geen contract heeft gekregen. De voormalig leidinggevende heeft ook verklaard, dat het bedrijfsbeleid is, dat iemand uit dienst gaat bij langere afwezigheid, ook als dat heeft te maken met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Een ex-collega heeft schriftelijk verklaard, dat collega’s haar adviseerden om haar zwangerschap achter te houden tot het jaarcontract getekend was omdat algemeen bekend was dat zwangere vrouwen bij Webhelp geen contracten krijgen. Het College overweegt op basis van deze getuigenissen, dat hiermee het vermoeden bestaat dat de vrouw vanwege haar zwangerschap geen contract kreeg en dat haar inlening niet werd verlengd. Het is dan aan Webhelp om te bewijzen dat zij niet discrimineerde. Die ontkent dat een arbeidsovereenkomst was toegezegd of dat de zwangerschap daarbij een rol heeft gespeeld. Volgens het bedrijf was de vrouw ook geen contract toegezegd. De inlening is beëindigd wegens bedrijfseconomische redenen. Haar inlening liep in de zomer af en omdat er in de zomer minder personeel nodig is, was de inlening niet verlengd. Maar het College acht dit verweer niet voldoende. Ook als in de zomer minder personeel nodig is bewijst dit nog niet, dat de zwangerschap van de vrouw geen enkele rol speelde. Het college komt tot de slotsom, dat jegens de vrouw een verboden onderscheid op grond van geslacht is gemaakt. 

Aantekening

Gelet op de bewijslastverdeling is het aan de verweerder (in dit geval het inlenende bedrijf) om te bewijzen dat er geen (verboden) onderscheid is gemaakt. Daarvoor moeten wel goede argumenten worden gebruikt die ook nog eens ‘hard’ gemaakt moeten worden.

 

Het bedrijf heeft drie argumenten aangevoerd. Allereerst dat er één vast moment in het jaar is dat kandidaten een arbeidsovereenkomst met het bedrijf zelf kunnen krijgen. Dat is aan het einde van het jaar. Dat een contract vanaf maart 2016 zou gaan lopen, zoals de vrouw heeft gesteld, is daarom volgens het bedrijf onaannemelijk. Maar volgens het College is daarmee niet bewezen is dat er geen onderscheid is gemaakt. Het gaat hier slechts om een stelling, waarvoor geen nader bewijs is aangedragen.

 

Als tweede verweer wordt aangevoerd, dat het ondenkbaar is dat het bedrijf de vrouw een arbeidsovereenkomst zouden aanbieden. Zij zou dan immers vanwege de eerdere dienstverbanden een vast contract krijgen en dat is niet in lijn met de behoefte van het bedrijf aan flexibele krachten. Ook dit verweer wordt door het College terzijde geschoven met de navolgende motivering. Hoewel aangenomen kan worden dat bij het bedrijf voornamelijk wordt gewerkt met tijdelijke contracten, is het niet uitgesloten dat er ook vaste arbeidsovereenkomsten worden afgesloten. In dat kader volgt het College de verklaringen van de getuige, dat het bedrijf in sommige situaties wel een vast dienstverband aangaat. Overigens valt op, dat de getuige zelf niet meer in dienst van het bedrijf werkzaam was.

 

En als derde argument is naar voren gebracht dat de arbeidsovereenkomst niet was afgesloten vanwege de aankomende zomerdip. Dat zou tevens de oorzaak zijn, dat de inlening ook niet verlengd is. Maar ook dit argument vindt geen gehoor bij het College, omdat het bedrijf hier op geen enkele manier mee bewijst, dat er geen onderscheid is gemaakt. Zelfs als sprake is van een geringere behoefte aan personeel in de zomer, hetgeen is tegengesproken door de klaagster, werpt dit geen ander licht op de feiten die hebben geleid tot het vermoeden van onderscheid.

 

Het college vindt dan ook, dat het bedrijf niet heeft bewezen, dat de zwangerschap bij het beëindigen c.q. niet verlengen van het dienstverband geen (enkele) rol heeft gespeeld.

 

We merken hier nog op, dat in 2016 het College onderzoek heeft gedaan naar de omvang van zwangerschapsdiscriminatie. Daaruit bleek, dat 43% van de vrouwen op de arbeidsmarkt te maken heeft gehad met mogelijke discriminatie wegens zwangerschap of pril moederschap. Dit komt overeen met de cijfers uit 2012. Er is op dit gebied nog niets veranderd.

Opmerking

Het College voor de Rechten van de Mens spreekt oordelen uit in concrete situaties, maar deze zijn niet bindend. De uitspraak kan wel nuttig zijn bij een vervolgprocedure, bijvoorbeeld bij een civiele vordering. Los daarvan is een negatief oordeel van het college voor het betrokken bedrijf doorgaans geen bewijs van goed werkgeverschap.

Wettelijk kader
Artikel 7:646 Burgerlijk Wetboek (nieuw) 

Bron: College voor de Rechten van de Mens, 30 maart 2017, CvdRM, Oordeelnr. 2017-37