Matiging boete voor heftruckongeval

Een lange machine wordt met een vrachtwagen aangevoerd bij een bedrijf. De machine wordt gelost en dwars op de lepels van een heftruck naar de loods gevoerd. De machine steekt aan beide kanten bijna 2,5 meter uit. Bij de ingang van de loods dreigt de machine te kantelen. Een meelopende werknemer wil dit voorkomen, maar de machine komt op zijn been terecht. Dat breekt met ziekenhuisopname als gevolg. Er volgt een boete van € 18.000 wegens overtreding van het Arbobesluit. Bij de rechtbank wordt dit bedrag gehalveerd. De werkgever had een veilige werkwijze ontwikkeld en het slachtoffer zelf heeft verklaard, dat hij op eigen initiatief de machine op die manier heeft laten verplaatsen en ook, dat de juiste middelen wel aanwezig waren.

Feiten

In september 2014 wordt bij een bedrijf een machine van bijna 6 meter lang verplaatst van een aanhangwagen naar een loods. Dat gebeurt door de samengestelde machine dwars op de lepels van een heftruck te zetten. De machine wordt niet vastgezet en steekt aan elke kant zo’n 2,4 meter uit. Bij het verplaatsen loopt een werknemer mee met de heftruck. Bij de ingang van de loods dreigt de machine te kantelen. De werknemer probeert dit te voorkomen waardoor de samengestelde machine deels op zijn linker bovenbeen terecht komt. Zijn been breekt en de werknemer verblijft enige tijd in het ziekenhuis. Na onderzoek door de Inspectie SZW krijgt de werkgever een boete van € 18.000. Na vergeefs bezwaar gaat de werkgever in beroep. 

Oordeel rechtbank

Volgens de rechtbank is het arbeidsongeval niet veroorzaakt door de arbeidsplaats zelf maar door het gebruik van de vorkheftruck. Daarmee is de boete ten onrechte gebaseerd op artikel 3.17 Arbobesluit. Het verwijt, dat de werkgever heeft verzuimd te voorkomen dat de machine (deels) op het linker bovenbeen terecht kwam, wordt evenwel niet anders dan bij toepassing van artikel 7.4, derde lid, Arbobesluit. Ook het boetebedrag blijft gelijk, waardoor de werkgever niet is benadeeld. De werkgever heeft betoogd, dat het slachtoffer geen werknemer was, maar een zelfstandige ingenieur die werkte aan een nieuw project. De rechtbank overweegt dat de directeur aan de inspecteur SZW heeft verklaard dat de werknemer en het slachtoffer in opdracht van de planner een machine ophaalden. Het slachtoffer heeft verklaard, dat hij als zelfstandige ingehuurd was als projectuitvoerder en in opdracht van de directeur werkzaamheden uitvoerde. De rechtbank oordeelt, dat op basis van de verklaringen voldoende aannemelijk is, dat sprake was van een gezagsverhouding. Dit wordt mede ondersteund door het feit, dat allen spraken over hun ‘collega’. De werkgever heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat hem niets valt te verwijten. Adequate instructies ontbraken evenals afdoende toezicht. Het enkele malen per dag over het buitenterrein lopen volstaat niet. Maar uit het boeterapport volgt, dat de ri&e in 2014 geheel was gereviseerd. Alle werknemers waren VCA gecertificeerd. Er was voor het werken met niet gangbare apparatuur een veilige werkwijze opgesteld die voldeed aan de eisen van de Arbowetgeving. Dat die werkwijze op de bewuste dag niet is gevolgd, betekent niet, dat er geen veilige werkwijze was ontwikkeld waarbij het gevaar van onjuist gebruik van niet gangbare apparatuur wordt tegengegaan. Het slachtoffer heeft verklaard, dat hij op eigen initiatief de machine met de vorkheftruck heeft laten verplaatsen en ook, dat de juiste middelen wel aanwezig waren. De rechtbank matigt daarom de boete met 50% tot € 9.000. 

Aantekening

De werkgever heeft betoogd, dat niet artikel 3.17 maar artikel 7.4, derde lid Arbobesluit aan de boete ten grondslag had moeten worden gelegd. De rechtbank overweegt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.17 Arbobesluit (Stb. 1997, 60) volgt dat deze bepaling ziet op gevaren die kunnen worden veroorzaakt door de arbeidsplaats zelf. Op gevaren die specifiek veroorzaakt worden door op de arbeidsplaats aanwezige arbeidsmiddelen, zijn de voorschriften van hoofdstuk 7 Arbobesluit van toepassing, waaronder artikel 7.4, derde lid. Deze bepalingen onderscheiden zich van elkaar voor zover het de bron van het gevaar betreft, maar bevatten blijkens hun bewoordingen een vergelijkbare verplichting voor de werkgever om te inventariseren welke risico’s zich op de arbeidsplaats onderscheidenlijk bij het gebruik van arbeidsmiddelen aldaar kunnen voordoen. Risico’s die zoveel mogelijk moeten worden beperkt om lichamelijk letsel van werknemer(s) te voorkomen. Een aanknopingspunt ziet de rechtbank tevens in het feit dat in het vierde lid van artikel 7.4 artikel 3.17 van overeenkomstige toepassing is verklaard. Daarmee heeft de wetgever beoogd om te voorkomen dat situaties, waarin niet zonder meer duidelijk is of het gevaar is veroorzaakt door de arbeidsplaats of het arbeidsmiddel, niet zouden kunnen worden aangepakt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2379.

Volgens de rechtbank is het onderhavige arbeidsongeval niet veroorzaakt door de arbeidsplaats zelf maar door de inrichting en het gebruik van de op de arbeidsplaats aanwezige arbeidsmiddelen, te weten de vorkheftruck. Daarmee is ten onrechte artikel 3.17 Arbobesluit aan de boete ten grondslag gelegd. Maar het gemaakte verwijt, te weten het verzuimen te voorkomen dat de samengestelde machine (deels) op het linker bovenbeen terecht kwam, is in materiële zin niet anders bij toetsing aan artikel 7.4, derde lid Arbobesluit. Daarnaast wordt zowel overtreding van artikel 3.17 als artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit in de Beleidsregel aangemerkt als een overtreding waarvoor een boete kan worden opgelegd met een normbedrag van de zesde categorie. In dat licht acht de rechtbank het aannemelijk dat de werkgever door de onjuiste boetegrondslag niet is benadeeld.

Vermindering van een bestuurlijke boete is mogelijk, als wordt aangetoond dat een veilige werkwijze is ontwikkeld. Als ook een ri&e is gemaakt, de nodige voorlichting en instructie is gegeven en het nodige toezicht is gehouden kan de boete zelfs tot nul worden gereduceerd. Het is echter de werkgever die dit gemotiveerd moet aantonen.

Juridisch kader

Artikel 1, 16, 32 en 34 Arbeidsomstandighedenwet
Artikel 3.17, 7.4 3e lid, 9.1 en 9.9b Arbeidsomstandighedenbesluit
Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving

Bron: Rechtbank Zwolle, 9 augustus 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3086