Kelderluikcriteria getoetst aan val uit ziekenhuisbed

 Een patiŽnte valt in een ziekenhuis op de spoedeisende hulp uit bed. Zowel de rechtbank als het hof houden het ziekenhuis aansprakelijk. De handelwijze van het ziekenhuis kan de toets aan de kelderluikcriteria niet doorstaan. 

Feiten

Op 18 november 2008, even na tienen, wordt mevrouw X, groot en zwaar en aan ťťn arm verlamd, opgenomen op de afdeling Spoedeisende Hulp (verder: SEH) van het VU medisch centrum in Amsterdam. Zij is thuis op de grond aangetroffen en was kort daarvoor ook al twee keer gevallen. Door haar onsamenhangende antwoorden kan niet goed worden vastgesteld, wat er precies aan schort. Zij is onrustig, werpt de dekens van zich af, trekt monitordraden los en draait op de trolley. Familie is tijdens de opnamen niet aanwezig. Na een CT-scan en het inbrengen van een blaaskatheter wordt de trolley waarop zij ligt neergezet in ťťn van de vier behandelkamers. De kamer heeft een open verbinding met de centrale hal, maar ligt niet in het zicht van de balie. De trolley is smaller dan een gewoon ziekenhuisbed. Het hoofdeind kan niet strak tegen de muur door de kabels en goten aan de muur. De (zeer ervaren) SEH-verpleegkundige wordt om 13:40 uur weggeroepen. Zij zet de trolley in de laagste stand en doet de bedhekken aan de lange zijden omhoog. Vijf minuten later wordt een bons gehoord. Een verpleegkundige ziet mevrouw X bij het hoofdeinde van de trolley op de grond liggen. Onderzoek wijst uit, dat er sprake is van een vertraagd bewustzijn. De eerder gemaakte CT-scan laat (eenvoudig gezegd) bloedingen zien onder het schedeldak. Mevrouw X stelt VUmc aansprakelijk voor de schade als gevolg van haar val. De rechtbank acht het VUmc aansprakelijk omdat de wijze waarop het VUmc met mevrouw X is omgegaan de toets aan de kelderluikcriteria niet kan doorstaan. VUmc gaat in beroep. 

Oordeel gerechtshof

De exacte toedracht van de val kan niet meer worden vastgesteld en daarom wordt er van uitgegaan, dat mevrouw X via het hoofdeinde van de trolley is afgevallen. De aansprakelijkheid moet worden beoordeeld aan de hand van de zorgvuldigheid die VUmc in het maatschappelijk verkeer jegens mevrouw X betaamt. Dit geschiedt aan de hand van de zogenaamde kelderluik-criteria (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136). Dan worden de volgende aspecten beoordeeld:
 

a.    de mate van waarschijnlijkheid waarmee voor VUmc was te verwachten dat mevrouw X niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid zou betrachten,
b.    de hoegrootheid van de kans dat ongevallen zouden ontstaan omdat mevrouw X die oplettendheid en voorzichtigheid niet zou betrachten,
c.    de mogelijke ernst van de gevolgen daarvan voor mevrouw X ;
d.    de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

 

Handelingen of nalaten van verpleegkundigen worden aan werkgever VUmc toegerekend. Als hun gedrag aan deze criteria niet overeenkomt met hetgeen van redelijk zorgvuldig en redelijk handelend verplegend personeel gezien de omstandigheden mocht worden gevergd is VUmc aansprakelijk.

De toetsing

criterium a

Mevrouw X was onrustig en dan was fixatie op zijn plaats geweest. Dat volgt ook uit de ĎRichtlijn vrijheidsbeperkende interventies in het VU Medisch Centrumí van oktober 2005. Volgens VUmc was de onrust niet zodanig dat zij bedacht moest zijn op onvoorzichtig gedrag. Maar de (zelfs zeer ernstig genoemde) onrust staat verschillende malen vermeld op het SEH formulier. Die onrust is in de ruim 3 uur dat zij op de trolley lag niet afgenomen. Ook was mevrouw X niet steeds goed aanspreekbaar. Daarmee had het voor de verpleegkundige (en dus voor VUmc)  duidelijk moeten zijn dat er een reŽel risico bestond dat mevrouw X niet voldoende voorzichtig en oplettend zou zijn, het gevaar van een val niet besefte en ook geen moeite zou doen om, door stil te blijven liggen, een val te voorkomen.

criterium b

Op SEH-afdelingen is het uit bed vallen van patiŽnten een algemeen gevaar. Dat wordt ook expliciet genoemd in De Richtlijn. De trolley was relatief smal, met open voet- en hoofdeind en kon niet tegen de muur worden gezet. Ook in de laagste stand is de afstand tot de vloer nog ca. 70-100 cm. Er was een aanmerkelijke kans dat mevrouw X door haar onrustige gedrag zou vallen. Daarbij doet niet ter zake of voorzienbaar was dat zij juist via het hoofdeind zou vallen. Dat risico bleef ook na het in de laagste stand zetten en het omhoog doen van de hekken. De trolley bleef immers aan twee kanten open en daarmee resteerde een serieuze kans op een val.

criterium c

Dat een val van de trolley voorzienbaar tot ernstige gevolgen kan leiden staat niet ter discussie.

criterium d

Veiligheidsmaatregelen konden op twee manieren worden uitgevoerd, namelijk door toezicht of een veiliger ďbedĒ. Toen de verpleegkundige werd weggeroepen had de trolley zodanig kunnen worden neergezet, dat  toezicht wel mogelijk was geweest door direct zicht vanaf de centrale balie. Dat dit het gevaar zou hebben verminderd is niet gemotiveerd weersproken. Als de baliemedewerker mevrouw X naar het hoofdeinde had zien bewegen had hij/zij niet alleen mevrouw X kunnen aanspreken of toeroepen, maar ook naar haar toe kunnen gaan. Dat aan het plaatsen van de trolley in de zichtlijn van de balie grote praktische bezwaren kleven is niet onderbouwd. Dat geldt ook voor de retorische opmerking, dat niet alle bedden tegen de balie kunnen staan omdat er dan niemand meer langs kan. Uit de plattegronden blijkt niet een zodanig ruimtegebrek. Bovendien waren niet alle patiŽnten op de SEH, op vergelijkbare wijze als mevrouw X onrustig en verward. Daarmee heeft VUmc niet voorzien in adequaat toezicht. Het hof merkt op, dat op niet op elke patiŽnt toezicht kan worden gehouden. Dat is ook niet vereist. Van belang is dat geen extra maatregelen zijn genomen om te zorgen voor toezicht op de onrustige en verwarde mevrouw X.

Daarnaast had mevrouw X op een ďgewoonĒ ziekenhuisbed of een trolley met valbescherming aan het hoofd- en voeteneinde kunnen worden gelegd. Dat zou het risico op een val aanzienlijk hebben verkleind. Niet betwist is, dat dergelijke trolleys toen al verkrijgbaar waren en in andere ziekenhuizen ook werden gebruikt. Het VUmc heeft alleen het, niet toereikende, argument aangevoerd dat zij nooit werkte met trolleys met dergelijke valbescherming en dat die dus ook niet beschikbaar waren.

De conclusie

Dit alles leidt voor het hof tot de conclusie dat VUmc is tekortgeschoten in de zorg die van haar jegens mevrouw X kon worden gevergd. VUmc had zich naar maatstaven van maatschappelijke zorgvuldigheid anders behoren te gedragen dan zij heeft gedaan. Het beroep wordt verworpen met uitzondering van de hoogte van de proceskosten.

Aantekening

De kelderluikcriteria, geformuleerd door de Hoge Raad in 1965 (het zgn. Coca Cola arrest) komen hier uitvoerig aan de orde. Daaruit blijkt eens te meer het belang van deze criteria voor de juridische beoordeling van gevaarzetting in verband met de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). De Hoge Raad gaf hierin de factoren voor de beoordeling of iemand maatregelen moet nemen om te voorkomen dat een bepaalde potentieel gevaarlijke situatie tot letsel leidt bij een ander. De criteria genoemd onder a t/m d, zijn ook goed bruikbaar om na te gaan, of een bedrijf aan zijn zorgverplichting heeft voldaan.

Bron: Gerechtshof Amsterdam, 24 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2005