Asbestzaak en feitelijk leiding geven

De directeur/eigenaar van een aannemingsbedrijf laat zijn medewerkers werkzaamheden uitvoeren aan een bouwwerk waar eerder asbesthoudende producten zijn verwijderd. Er is echter geen “asbestvrij-verklaring” aanwezig. De man wordt door de rechtbank veroordeeld omdat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de werkzaamheden

De feiten

De thans 55 jarige Jansen is directeur/eigenaar van een aannemingsbedrijf. Eind maart 2013 zijn door een asbestsaneerder golfplaten van het dak van een ligboxstal in Beemte-Broekland verwijderd. Deze platen bevatten asbest. Na de verwijdering van deze platen is op de onderliggende dupanelplaten, spanten en gordingen asbest achtergebleven. In en rondom de ligboxstal bevond zich eveneens asbesthoudend materiaal. Jansen wist, dat de dupanelplaten wegens mogelijk achtergebleven asbestresten schoongemaakt moesten worden maar controleert niet, of dit daadwerkelijk is gebeurd. Na de sloop laat hij zonder verdere voorzorgen zijn personeel de onderliggende dupanelplaten verwijderen en een paar dagen later plaatsen zijn een nieuw dak. Tijdens deze werkzaamheden constateren twee opsporingsambtenaren van de politie dat op het terrein diverse kleine stukjes asbest liggen. Later onderzoek bevestigd, dat het inderdaad asbesthoudend materiaal is. Dat blijkt op nog meer plaatsen te liggen. Het Openbaar Ministerie gaat over tot vervolging. Jansen wordt verweten (feit 1) dat hij als directeur leiding heeft gegeven en niet heeft gezorgd voor voldoende bescherming van de werknemers, terwijl hij wist of moest weten dat er levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers was te verwachten, en ook (feit 2) dat hij als directeur van zijn bedrijf werkzaamheden heeft laten verrichten (het plaatsen van een nieuw dak) terwijl de vereiste eindbeoordeling volgens het Asbestverwijderingsbesluit niet was uitgevoerd terwijl ter plekke nog waarneembaar asbest aanwezig was. De Officier van justitie vordert voor beide feiten tezamen een taakstraf van 180 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. En voor feit twee ook een voorwaardelijke stillegging van het bedrijf voor 2 jaar.

Oordeel rechtbank

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast.
Jansen is enig aandeelhouder en bestuurder van het aannemingsbedrijf. Tussen 22 en 25 maart 2013 zijn door een asbestsaneerder asbesthoudende golfplaten van het dak van een ligboxstal in Beemte-Broekland verwijderd. Metingen hebben uitgewezen, dat na de verwijdering op de onderliggende dupanelplaten, spanten en gordingen asbest is achtergebleven. In en rond ligboxstal lag eveneens asbesthoudend materiaal. Jansen wist dat de dupanelplaten wegens mogelijk achtergebleven asbestresten schoongemaakt moesten worden maar heeft niet gecontroleerd of dat ook gebeurd was. Na de sloop van het oude dak van de ligboxstal heeft hij niet gevraagd om een officiële asbestvrijgave, noch gecontroleerd of deze documenten er waren, voordat hij zijn personeel aan het werk liet gaan met het plaatsen van een nieuw dak en het slopen van de onderliggende dupanelplaten.

 

Uit een deskundigenrapport van 14 augustus 2013 blijkt, dat sprake was van asbestbesmetting. Zowel inpandig als in de directe omgeving van de ligboxenstal lagen kleine stukjes asbest. Er lagen ook kleine asbeststukjes in de raampjes van de schuur. In de stofmonsters van de dakspanten werd zeer veel asbest aangetroffen. Het risico op vrijkomen van asbestvezels is het hoogst bij niet-hechtgebonden asbest, zoals in deze situatie het geval was.

 

Jansen wordt vrijgesproken van het eerste feit. Zijn medewerkers waren op het laatste moment ingehuurd door een collegabedrijf voor het verwijderen van de dupanelplaten en Jansen wist toen nog niet, dat daar asbest bij was betrokken. Jansen heeft weliswaar gemakzuchtig gehandeld, maar de rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan zijn verweer dat hij niet wist, dat bij het verwijderen van de dupanelplaten resten asbestvezels waren achtergebleven.

 

Over feit twee oordeelt de rechtbank, dat voor bewezenverklaring sprake moet zijn van opzettelijk laten werken aan een bouwwerk waar asbest is gesaneerd terwijl niet eerst een eindbeoordeling is uitgevoerd (art. 6 en 9 Asbestverwijderingsbesluit). Als enig aandeelhouder en bestuurder van het aannemingsbedrijf had Jansen feitelijk zeggenschap over de omstandigheden waaronder zijn medewerkers te werk worden gesteld. Hij was bevoegd en redelijkerwijs gehouden om maatregelen te nemen ter voorkoming van een situatie waarbij de werknemers arbeid verrichten in een omgeving waarvoor nog geen eindbeoordeling heeft plaatsgevonden met betrekking tot de al dan niet aanwezigheid van asbest op de werkplek. Jansen wist toen wel dat het verwijderde dak van de ligboxstal asbest bevatte. Tevens was hij er van op de hoogte dat er geen formeel asbestvrijgave-formulier was. Hij had die in elk geval niet in handen op het moment dat de medewerkers het dak gingen plaatsen. Desondanks heeft hij niet gewacht met de aanvang van de werkzaamheden tot de asbestvrijgave was uitgevoerd. Daarmee is opzet een gegeven en gezien de positie van Jansen bij zijn bedrijf kan dit aan de rechtspersoon worden toegerekend en kan Jansen als feitelijk leidinggever worden aangemerkt. Daarmee is het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Dat levert een misdrijf op wegens overtreding van artikel 120 lid 2 van de Woningwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en komt uit op een voorwaardelijke werkstraf van 80 uren, bij niet voldoen te vervangen door 40 dagen hechtenis. Daarnaast legt de rechtbank als bijzondere voorwaarde op dat Jansen een bedrag van € 5.000,- zal storten op de rekening van het instituut Asbestslachtoffers.

Aantekening

Voor strafbaarheid wegens feitelijk leidinggeven moet de rechtspersoon op grond van artikel 51 Wetboek van Strafrecht (Sr) worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit. Dat is het geval als de ten laste gelegde gedragingen redelijkerwijs aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. De bewezenverklaarde gedragingen zijn verricht binnen de sfeer van het aannemingsbedrijf van Jansen (de B.V). Zij passen immers binnen de normale bedrijfsvoering en zijn deze vennootschap ook dienstig geweest. Daarmee kunnen de ten laste gelegde gedragingen van Jansen, als bestuurder/enig aandeelhouder, aan de B.V. als rechtspersoon worden toegerekend.

 

Jansen heeft als feitelijk leidinggevende van zijn aannemingsbedrijf zijn medewerkers werkzaamheden laten verrichten aan een bouwwerk waar eerder asbesthoudende producten zijn verwijderd, terwijl er geen “asbestvrij-verklaring” aanwezig was. De rechtbank acht het bewezen verklaarde feit zeer ernstig en rekent het Jansen zwaar aan dat hij in zijn hoedanigheid van eigenaar en feitelijk leidinggevende van een aannemingsbedrijf niet de verantwoordelijkheid heeft genomen die hij als werkgever ten opzichte van zijn medewerkers had. Te meer omdat hij vaker met asbestgerelateerde werkzaamheden te maken heeft en aldus op de hoogte is van de wijze waarop asbestsaneringen conform de geldende wet- en regelgeving dienen te worden uitgevoerd en van de gevaren die asbestvezels kunnen opleveren. Door zo te handelen heeft hij te gemakzuchtig vertrouwd op andermans mededeling en daarmee de zorgplicht die hij heeft ten opzichte van zijn medewerkers ernstig verzaakt. Door zich niet op de formele wijze te vergewissen van de veiligheid van de werkomgeving van zijn medewerkers heeft Jansen hen blootgesteld aan een aanzienlijk gezondheidsrisico.

 

Wettelijke voorschriften

De artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51 en 91 Sr, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 120 Woningwet en de artikelen 6 en 9 Asbestverwijderingsbesluit 2005.

(Rechtbank Overijssel, 1 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:384)