Scheepswerf niet aansprakelijk voor brand partyschip.

Een brandwacht op een partyschip verlaat kort na slijpwerkzaamheden het schip voor een lunchpauze. Enige tijd later breekt brand uit. De eigenaar van het schip wil de schade verhalen op de scheepswerf wegens toerekenbare tekortkoming. Beroep op het exoneratiebeding van de werf slaagt. Er is ook geen sprake van grove schuld of opzet van organen van de scheepswerf of met de werf te vereenzelvigen leidinggevende functionarissen.

Feiten

Op een scheepswerf in Sas van Gent ontstaat in juli 2012 brand aan boord van een partyschip als gevolg van werkzaamheden die in opdracht van de (Belgische eigenaar) Dock worden uitgevoerd door Hoornaert’s scheepswerf en machinefabriek De Schroef. De brand wordt rond 12.35 uur geconstateerd, aan het einde van de lunchpauze. Direct voor die lunchpauze was in de scheepshuid een drietal zaagsneden gemaakt, om later door de opening een generator te lichten. Aan de binnenzijde van de scheepshuid zat purschuim. Niet duidelijk is of dit geheel of ten dele was afgedekt door betimmering. Afgesproken was dat De Schroef, om het risico op brand te verkleinen, de purschuim ter plaatse van de zaagsneden zou afsteken, niet zou branden maar zou slijpen en een brandwacht zou aanstellen. Kort voor de lunchpauze zijn de slijpwerkzaamheden gestaakt. De brandwacht heeft vervolgens met instemming van de voorman van De Schroef het schip verlaten voor zijn lunchpauze.

De oorzaak

Volgens een deskundige is de brand bijna zeker veroorzaakt doordat gloeiende ijzerdeeltjes, die vrijkwamen tijdens het slijpen, op een horizontale verstevigingslat bleven liggen. Door de goede warmtegeleiding van ijzer is de polyurethaan in de onmiddellijke omgeving ontbrand. Een en ander wijst op een smeulbrand, waardoor tijdens de eerste minuten na het beëindigen van het slijpen, er niets abnormaals was vast te stellen.

De exoneratie-clausules

In de overeenkomst tussen Dock en de Schroef zijn de Algemene Werfvoorwaarden van de Vereniging Nederlandse Scheepsbouw Industrie (VNSI) van toepassing verklaard. Daarin geeft art. 13.2 aan (kortweg), dat de Werf nooit aansprakelijk is voor schade behoudens dat deze is veroorzaakt door opzet of grove schuld van de Werf of diens leidinggevenden. Behoudens opzet is aansprakelijkheid van de Werf voor bedrijfs-, gevolg- of indirecte schade steeds uitgesloten. Mocht de Werf wel verplicht zijn tot betaling van een schadevergoeding, dan zal die nooit hoger zijn dan 25% van de prijs van het uitgevoerde werk waardoor of in verband waarmee de schade is veroorzaakt.

De eis

Dock stel de Schroef aansprakelijk voor de schade van € 253.328,34, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten. Volgens Dock is De Schroef tekortgeschoten in zijn verplichtingen moet de schade worden vergoed op grond van artikel 6:74 BW. De projectleider van De Schroef, had immers uitdrukkelijk toegezegd hij de nodige brandpreventiemaatregelen zou nemen, in het bijzonder het houden van brandwacht. Volgens Dock moet een brandwacht na het beëindigen van de werkzaamheden minimaal één uur aanwezig blijven maar daar heeft De Schroef zich niet gehouden. Als professionele scheepswerf wist De Schroef (of moest weten) dat purschuim zeer brandgevaarlijk is en dat gloeiende ijzerdeeltjes ook lang na beëindiging van de werkzaamheden nog brand kunnen veroorzaken. Daarom was het volstrekt onverantwoord dat de brandwacht vertrok zodra met slijpen werd gestopt.

Het verweer

De Schroef betwist dat zij is tekortgeschoten en beroept zich op de VNSI-voorwaarden. Er is geen sprake van opzet of grove schuld van De Schroef zelf. Ook is de aansprakelijkheid beperkt tot 25 procent van de prijs van het werk, en dus tot nihil – omdat geen kosten voor de werkzaamheden in rekening zijn gebracht - althans maximaal € 487,50, een kwart van de geoffreerde prijs van € 1.950 voor deze werkzaamheden.

Oordeel rechtbank

Er is verschil van mening over wat het houden van brandwacht concreet zou betekenen. Bij het maken van de afspraak is hierover niet gesproken. Volgens een branddeskundige die Dock heeft geraadpleegd mag een brandwacht zijn post tenminste gedurende een uur na het beëindigen van de werkzaamheden niet verlaten. Maar volgens De Schroef worden in de verzekeringsbranche geen eensluidende richtlijnen gehanteerd. Een brandwacht zou in dit geval de werkplek gedurende een korte periode van twintig minuten mogen verlaten nadat hij zich ervan had vergewist dat de situatie veilig was (althans leek), in die zin dat hij geen rook, smeulen of andere op brand wijzende feitelijkheden waarnam.

De rechtbank is het niet eens met het standpunt van De Schroef. Het verrichten van slijpwerk - met wegspringende hete ijzerdeeltjes - in een scheepshuid die aan de binnenzijde was bespoten met een flinke laag zeer brandbaar purschuim (die slechts plaatselijk over een aantal centimeters breedte was weggestoken) was terecht herkend als een brandgevaarlijke situatie. De Schroef wist of had als scheepswerf kunnen weten dat de kans dat gloeiende deeltjes op slecht of niet zichtbare plaatsen - bijvoorbeeld achter betimmering - zouden landen en daar tot smeulbrand konden leiden. Dan kan het verlaten van zijn post door de brandwacht, enkele minuten na het beëindigen van het slijpen, met de bedoeling om pas na ongeveer vijftien tot twintig minuten terug te keren, niet als het adequaat houden van brandwacht worden beschouwd. Al was de situatie op het oog veilig, dan nog maakt de feitelijke afloop van het incident voldoende duidelijk dat daarmee de daadwerkelijke afwezigheid van brandrisico niet vaststond. Juist daarom moest de brandwacht ‘wacht houden’ zolang als redelijkerwijs nog met het risico van (smeul)brand rekening moest worden gehouden. Nu dit niet is gebeurd, is De Schroef tekortgeschoten. De rechtbank ziet geen reden, waarom deze tekortkoming de scheepswerf niet zou kunnen worden toegerekend.

De vraag is verder of sprake is van grove schuld van leidinggevenden van De Schroef als bedoeld in de VNSI-voorwaarden. De rechtbank gaat uit van de normale betekenis van deze woorden. De voorman, met wiens instemming de brandwacht zijn post verliet, was gezien zijn arbeidsovereenkomst ‘meewerkend voorman’ en geen leidinggevende of als met de werf te vereenzelvigen functionaris. Volgens Dock nam die voorman gedurende de vakantie ook taken van een leidinggevende over en functioneerde als degene die contact had namens De Schroef. Maar de rechtbank oordeelt dat ook het naar buiten toe optreden als feitelijk leidinggevende bij een project nog niet de conclusie rechtvaardigt dat de voorman daarmee een met de werf te vereenzelvigen functionaris van De Schroef was.

Met dit alles komt de rechtbank tot het oordeel, dat toepassen van de VNSI-voorwaarden tot gevolg heeft dat De Schroef niet aansprakelijk is voor de schade. De vordering wordt afgewezen.

Aantekening

Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden afspraken die partijen willens en wetens hebben gemaakt buiten beschouwing gelaten, zeker als beiden handelen in de uitoefening van hun bedrijf en de Algemene Voorwaarden zijn aanvaard (en, zoals hier, door Dock voor akkoord zijn ondertekend). De rechtbank stelt, dat van opzet niets is gebleken. Er is slechts sprake van een fout of mogelijk zelfs grove schuld van een werknemer van De Schroef (of van de ingehuurde brandwacht). Maar partijen zijn in artikel 13.2 VNSI-voorwaarden nu juist overeengekomen, dat De Schroef niet aansprakelijk is voor fouten, grove schuld en zelfs opzet van anderen dan de in die bepaling bedoelde organen en functionarissen van De Schroef. Scheepseigenaar Dock vist achter het net!

Tot slot

Een exoneratiebeding of -clausule is een vrijwaring op grond waarvan, mits in het betreffend geval en onder de gegeven omstandigheden geldig, een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, ontstaan door een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad, wordt uitgesloten of beperkt. Een dergelijk beding kan verstrekkende gevolgen hebben als het mis gaat.

Wettelijk kader
Artikel 6:248 lid 2 BW
Artikel 13.2 VNSI-voorwaarden

Rechtbank Rotterdam, 17 juni 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:5641