Geen antislipzolen in zwembad.

 Een medewerker van een zwembad glijdt uit tijdens de reparatie van een zeepbakje in een douchehokje. De precieze toedracht blijft onduidelijk omdat er geen getuigen waren. De werknemer kan zich niet meer herinneren waarom hij is uitgegleden. Het sportcentrum heeft gesteld dat de vloer ter plaatse droog was. Maar dat is niet met voldoende zekerheid vast te stellen. Hetzelfde geldt voor de vraag of de gladde vloer de oorzaak is geweest. Omdat geen schoenen met antislipzool zijn verstrekt acht het hof de werkgever aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval.

Feiten

Een medewerker bij het zwembad van een sportcentrum krijgt in de voege ochtend van 25 maart 2008 een ongeval. Dat gebeurt in het natte gedeelte van de herenkleedruimte. Hij was daar bezig met de reparatie van een zeepbakje in een douchehokje. Toen hij naar de technische ruimte liep om een schroevendraaier te halen, is hij gevallen. De toedracht van het ongeval blijft onduidelijk omdat er geen getuigen waren. Het sportcentrum heeft gesteld, dat de vloer ter plaatse droog was. Maar dat kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Dat geldt ook voor de vraag, of de gladde vloer de oorzaak is geweest. De werknemer kan zich de oorzaak niet herinneren. Dit alles is onvoldoende om de oorzaak van het ongeval vast te stellen.

 Oordeel gerechtshof

Het gerechtshof stelt vast dat de werknemer tijdens zijn werk bij het sportcentrum een ongeval is overkomen. Het sportcentrum vindt dat het voldaan heeft aan zijn zorgverplichting, omdat de vloer in de doucheruimte was voorzien van een antisliplaag. Door de korrelige structuur wordt uitglijden, ook in natte toestand, tegengegaan. Maar het hof acht deze maatregel alleen niet voldoende. Van het sportcentrum kon redelijkerwijs ook worden gevergd dat veiligheidsschoenen met een antislipzool waren verstrekt om vallen en uitglijden te voorkomen. Dat staat ook in ongevallenboeterapport van de Arbeidsinspectie. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat dit een betrekkelijk eenvoudige en goedkope maatregel is die echter niet is genomen. In plaats daarvan droeg de werknemer Nike sportschoenen met rubberen zolen met reliëf. Het hof acht deze schoenen niet geschikt voor dit soort werk. De werknemer is immers gevallen terwijl hij deze sportschoenen droeg. Waarbij hij ook nog eens vele malen per dag door het complex moest lopen, en regelmatig in de natte doucheruimte van de herenkleedruimte kwam. Dat de werknemer vier jaar ervaring had verandert niets aan het oordeel dat het sportcentrum had moeten zorgen voor veiligheidsschoenen met een antislipzool en er op moeten toezien dat die ook werden gebruikt. Het sportcentrum is daarom  aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval.

 Aantekening

Niet is komen vast te staan wat de toedracht van het ongeval is geweest. Maar het hof betrekt in haar oordeel mede het ongevallenboeterapport van (destijds) de Arbeidsinspectie. Daarin is geconstateerd dat er sprake was van een overtreding van artikel 3.2 lid 1 Arbobesluit. Als bevinding staat in het rapport dat ‘in de natte ruimte niet zodanige maatregelen zijn getroffen als redelijkerwijs nodig is, om te voorkomen dat een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden gevaar zou oplopen als gevolg van een val door gladheid, in dit geval ontstaan door water’. De vloer in het natte gedeelte van de kleedruimte was niet glad als de vloer droog is. Maar dat was wel het geval in combinatie met een schoen zonder antislipzool als de vloer nat is en niet als de schoen is voorzien van een antislipzool. (Zie de tussenuitspraak van 6 mei 2014 ECLI:NL:GHSHE:2014:1270). Daarmee betoogd de inspectie, dat het dragen van schoenen met anti-slipzolen het ongeval wellicht hadden kunnen voorkomen. 

 

Eerder in de procedure heeft de werkgever gesuggereerd dat het slachtoffer zich heeft verstapt. Maar het hof ziet voor die suggestie geen steun in de getuigenverklaringen. In het tussenarrest heeft het hof reeds overwogen dat daar ook geen grondslag voor is in de verklaring van het slachtoffer behorende bij het Ongevallenboeterapport. Het hof legt die suggestie naast zich neer.

 

Het gaat in deze zaak over de stelplicht en bewijslast. Van een werknemer die een schadevergoeding eist als gevolg van een on geval mag worden verlangd dat hij stelt en zo nodig bewijst dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft opgelopen, maar niet dat hij ook aantoont wat nu precies de toedracht of oorzaak is geweest (vgl. HR 4 mei 2011, ECLI:NL:HR2001:AB1430 en HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432 en ook Hof ’s-Hertogenbosch, 1 april 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:932). Het is in het algemeen voldoende is als komt vast te staan dat het ongeval de werknemer overkomen is op de werkplek. Daarbij mag het begrip werkplek ruim worden genomen. Een dat betekent ook, dat als een werknemer op een werkplek een ongeluk overkomt en hij daardoor schade lijdt, daarmee ook vast staat dat de werknemer tijdens zijn werkzaamheden schade heeft opgelopen. Het is vervolgens aan de werkgever aan te tonen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen. Of in elk geval zodanige maatregelen had moeten treffen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geen schade op zou lopen. Om dit hard te maken moet de werkgever (kortweg) ten minste aantonen dat de risico’s zijn geïnventariseerd, de nodige maatregelen zijn genomen, de juiste middelen zijn verstrekt, de nodige voorlichting is gegeven en voldoende toezicht heeft (laten) houden. 

Tot slot

De werkgever moet maatregelen nemen ter voorkoming van gezondheidsschade ten gevolge van het werk. Daarvoor moeten de risico’s worden geïnventariseerd en waar nodig de juiste maatregelen worden genomen of middelen worden verstrekt. Onderdeel van het  preventiebeleid is ook voorlicht over de genomen maatregelen en het redelijkerwijs te houden toezicht op de uitvoering daarvan.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 31 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1104