Matiging boete wegens schending evenredigheidsbeginsel

Bij het plaatsen van een hekwerk trekt een kraan een elektriciteitskabel uit de grond. De voorman geeft instructie om nergens aan te komen, maar een van de werknemers probeert toch de kabel weer aan te sluiten. Hij komt onder spanning en overlijdt aan zijn verwondingen. De werkgever vecht de opgelegde boete met succes aan bij de rechtbank. 

Feiten

Op 23 november 2012 zijn drie werknemers en een ingehuurde kraanmachinist bezig met het plaatsen van een hekwerk rond de parkeerplaats van een bedrijf. De kraanmachinist graaft gaten voor hekpalen met een betonnen voet. Bij het graven van het tweede gat wordt een elektriciteitskabel losgetrokken uit een stopcontact voor buitengebruik. De voorman instrueert de werknemers om van de bekabeling af te blijven. Een van hen probeert echter toch om de losgetrokken kabel weer aan te sluiten. Hij komt onder spanning te staan en overlijdt dezelfde dag aan zijn verwondingen. De werkgever krijgt een boete van € 11.250 omdat de installatie niet spanningsloos is gemaakt. Bezwaar tegen deze boetebeschikking is vergeefs en de werkgever gaat in beroep. 

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt dat vast dat op grond van artikel 3.5, derde lid, Arbobesluit werkzaamheden alleen mogen worden gedaan als een installatie spanningsloos is gemaakt. Dat was hier niet het geval. De werkgever vindt echter, dat het ongeval hem niet verweten kan worden. Er was een ri&e, waarin staat dat elektrische installaties worden onderhouden door een externe deskundige. Ook wisten de werknemers dat zij daar zelf niet aan mochten werken. In zoverre treft de werkgever geen blaam. Het gaat echter niet alleen om algemene instructies, maar ook in hoeverre feitelijk is gehandeld. Er was een voorman aangesteld die toezag op het veilig werken. Op zeker moment is een kabel losgetrokken, waardoor een gevaarlijke situatie ontstond. Van de voorman mocht verwacht worden dat hij adequate maatregelen had getroffen, zoals het afzetten van de plek en zorgen dat de stroom van de kabel werd gehaald. Dat is niet gebeurd. Weliswaar heeft hij verboden om aan de kabel te komen, maar dat is niet genoeg. Het ontoereikend handelen van de voorman moet worden toegerekend aan de werkgever. Van het ontbreken van verwijtbaarheid is dan ook geen sprake en is niet voldaan een de eerste matigingsgrond van de beleidsregel. De overige matigingsgronden zijn daarmee niet meer aan de orde.

 

Bij het opleggen van een boete wegens overtreding van het Arbobesluit moet de minister, op grond van  artikel 5:46 tweede lid, Algemene wet bestuursrecht, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De Beleidsregels als zodanig acht de rechtbank niet onredelijk. Maar ook bij de toepassing van de boetebedragen behoort de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de eisen die aan zijn bevoegdheid worden gesteld. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het boetebesluit voldoet aan deze eisen. Daarbij speelt een rol, dat met de ri&e een veilige werkwijze was ontwikkeld en getracht is overtreding van art. 3.5 Arbobesluit te voorkomen. Ook kent de rechtbank grote betekenis toe aan de rol van het slachtoffer. Die is op eigen initiatief aan de elektrische installatie gaan werken, terwijl de voorman meerdere malen heeft gezegd van de kabel af te blijven. De minister is daaraan voorbijgegaan en legt eenzelfde boete op als aan een werkgever die geen enkel inspanning heeft verricht. Daarom acht de rechtbank de hoogte van de boete niet in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en een boete van € 5.000,- passend. 

Aantekening

De voorman heeft de medewerkers geïnstrueerd om van de bekabeling af te blijven. Het slachtoffer heeft – ondanks deze mondelinge instructie – geprobeerd om de losgetrokken kabel aan te sluiten aan het stopcontact. De installatie werd voor het aansluiten niet spanningsloos gemaakt. Hierdoor was ernstig gevaar aanwezig. De vraag is, of dit de werkgever kan worden verweten.

 

Het opleggen van een boete wegens overtreding van het Arbobesluit is een bevoegdheid van de minister. Die moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De rechter toetst echter zonder terughoudendheid of het boetebesluit voldoet aan deze eisen en leidt tot een evenredige sanctie. Volgens de rechtbank is in dit geval van belang dat de werkgever met de ri&e een veilige werkwijze heeft ontwikkeld die voldoet aan de eisen van de geldende regelgeving. Hij heeft daarmee de nodige inspanningen gedaan om overtreding van artikel 3.5 Arbobesluit te voorkomen. Daarnaast moet volgens de rechtbank in dit specifieke geval grote betekenis worden toegekend aan de rol van het slachtoffer. Die is zelfstandig en op eigen initiatief aan de elektrische installatie gaan werken. Dit terwijl de voorman het slachtoffer meerdere malen te kennen heeft gegeven om van de elektriciteitskabel af te blijven. Door daaraan voorbij te gaan, werpt de minister aan eiseres eenzelfde mate van verwijtbaarheid tegen als aan een werkgever die in het geheel geen inspanningen heeft verricht. Omdat de werkgever niet eerder artikel 3.5 Arbobesluit heeft overtreden, vindt de rechtbank dat in dit geval de hoogte van de opgelegde boete niet in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Daarom is sprake van verminderde verwijtbaarheid die grond biedt voor matiging van de opgelegde boete.  

Tot slot

Een boete wegens overtreding van de Arbowetgeving kan in beginsel worden verminderd als een werkgever aantoont, dat hij heeft voldaan aan de criteria die staan vermeld in de Beleidsregel boetoplegging Arbeidsomstandighedenwetgeving.

Rechtbank Breda, 6 november 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:7762