Hoofdaannemer én onderaannemer aansprakelijk voor ongeval uitzendkracht.

Een ingeleende arbeidskracht valt tijdens zijn werk voor een onderaannemer van ongeveer zeven meter hoogte op een betonnen vloer. Het gerechtshof acht de hoofdaannemer mede aansprakelijk omdat de medewerker voor zijn veiligheid mede afhankelijk was van de hoofdaannemer én de werkzaamheden plaatsvonden in de uitoefening van diens bedrijf. Omdat de onderaannemer echter primair verantwoordelijk was voor de veiligheid hoeft de hoofdaannemer slechts 20% bij te dragen.

Feiten

Een werknemer valt tijdens zijn werk als ingeleende arbeidskracht voor aannemer Ridder van een provisorische stellage ongeveer zeven meter naar beneden op een betonnen vloer.  De werknemer  moest een piramidevormige dakkoepel, waarin een uitsparing zat voor een (driehoekig) raam, om het raamkozijn heen met koper bekleden. Het raam was afgedekt met ondoorzichtig niet-waterdoorlatend folie. Hij stond bij dit werk op een constructie van één of twee pallet(s) met een plank daarover. Ofwel doordat de pallets weggleden ofwel doordat hij zijn evenwicht verloor, is de werknemer door het folie en het kozijn naar beneden gevallen. Hij heeft als gevolg van zijn val ernstig letsel opgelopen en Ridder aansprakelijk gesteld. De werkzaamheden vonden plaats in het kader van een onderaannemingsovereenkomst tussen Heijmerink als hoofdaannemer en Ridder als onderaannemer. Diens verzekeraar, Allianz, heeft aansprakelijkheid erkend en wil de schade van de werknemer vergoeden tegen cessie (= overdracht) van diens vordering op Heijmerink. De werknemer gaat akkoord. Allianz heeft € 350.000 uitgekeerd en vordert nu een verklaring voor recht dat Heijmerink voor het ongeval aansprakelijk is en daarmee de schade moet vergoeden die de verzekeraar aan de werknemer heeft vergoed. De kantonrechter wijst de vorderingen af.

Oordeel gerechtshof

In hoger beroep stelt het hof voorop dat een hoofdaannemer jegens een medewerker van een onderaannemer aansprakelijk kan zijn op grond van art. 7:658 lid 4 Burgerlijk Wetboek. De medewerker moet dan voor de zorg voor zijn veiligheid mede afhankelijk zijn van de hoofdaannemer en de werkzaamheden moeten plaatsvinden in de uitoefening van het bedrijf van de hoofdaannemer. Het hof vindt, dat in deze zaak aan beide voorwaarden is voldaan. Heijmerink houdt zich als bedrijf zowel bezig met bouwwerkzaamheden als met het aannemen van werk en het optreden als uitvoerder. Het dakdekkerswerk waarmee de werknemer bezig was, had Heijmerink als bouwbedrijf ook zelf kunnen verrichten. Daarnaast was de werknemer voor zijn veiligheid mede afhankelijk van Heijmerink, omdat die ervoor moest zorgen dat de uitgangssituatie veilig was, dat wil zeggen dat een doorvalbeveiliging was aangebracht achter de kozijnen waarmee de werknemer bezig was. Ook in die zin is art. 7:658 lid 4 BW van toepassing. Heijmerink heeft niet kunnen bewijzen dat een dergelijke doorvalbeveiliging was aangebracht en is daarom tekortgeschoten in zijn zorgplicht jegens de werknemer. Maar ook onderaannemer Ridder is als werkgever ook nalatig geweest. Ridder heeft immers niet gecontroleerd of sprake was van een doorvalbeveiliging, maar heeft zijn werknemer laten werken op een provisorische constructie met planken en pallets, terwijl niet te zien was of daaronder enige valbeveiliging aanwezig was. Gelet hierop en op het feit dat Ridder als werkgever primair verantwoordelijk was voor de veiligheid van zijn werknemer moet Ridder 80% van de schade vergoeden tegen Heijmerink 20%.  

Aantekening

Eerder al heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat artikel 7:658, vierde lid 4 BW, dat de werkgeversaansprakelijkheid voor ingeleend personeel regelt, een ruim toepassingsgebruik heeft (HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616, Davelaar/Allspan). In dit arrest gaf de hoge Raad aan, dat voor de beantwoording van de vraag welke verhoudingen nog meer door het vierde lid van artikel 7:658 BW worden bestreken van belang is de toelichting die de minister, toegespitst op inlenersaansprakelijkheid, bij de introductie van de bepaling over de strekking van die bepaling gaf: "De aansprakelijkheid van de inlener is wenselijk omdat de vrijheid van degene die een bedrijf uitoefent om te kiezen voor het laten verrichten van het werk door werknemers of door anderen, niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een bedrijfsongeval of anderszins schade oploopt. Anders gezegd: een werkgever die zijn zorgverplichtingen niet nakomt dient op gelijke voet aansprakelijk te zijn voor de schade van werknemers en anderen die bij hem werkzaam zijn. Daarom dient de aansprakelijkheid van de inlener voor bedrijfsongevallen waarbij (ook) andere dan eigen werknemers betrokken zijn, een specifieke wettelijke grondslag te krijgen. De hier voorgestelde bepaling biedt deze grondslag." (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 263, nr. 14, p. 6).

 

Het accent ligt op de aan de bepaling van lid 4 ten grondslag liggende beschermingsgedachte, en ook later wordt niet nader ingegaan op het soort rechtsverhoudingen dat door de bepaling wordt bestreken: "Achtergrond van lid 4 is dat de vrijheid van degene die een beroep of bedrijf uitoefent om te kiezen voor het laten verrichten van het werk door werknemers of door anderen niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een bedrijfsongeval of anderszins schade oploopt. Met andere woorden: Een werkgever die zijn zorgverplichtingen niet nakomt dient op gelijke voet aansprakelijk te zijn voor de schade van werknemers als voor anderen die bij hem werkzaam zijn."  (Kamerstukken I, 1998-1999, 26 257, nr. 110b, p. 7)

 

Of een inlenende werkgever aansprakelijk is voor een door hem ingeschakelde inleenkracht of zzp-er zal dus steeds moeten worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke verhouding, de aard van de werkzaamheden en de mate van beïnvloedbaarheid van de werkomstandigheden door de werkgever. De werkgever moet daar steeds op bedacht blijven. Temeer nu men er op bedacht moet zijn dat een exonoratieclausule voor aansprakelijkheid van ingeschakelde werknemers of andere personen in de overeenkomst tussen hoofdaannemer en onderaannemer, de hoofdaannemer geen bescherming kan bieden, omdat artikel 7:658 BW (en daarmee ook het vierde lid van dit artikel) van dwingend recht is. 

Conclusie:

De zorgplicht van de werkgever gaat ver en strekt ertoe om bescherming te bieden aan personen die zich in een positie bevinden die te vergelijken is met die van de eigen werknemers. Daaronder kunnen dus werknemers van onderaannemers en ook zelfstandigen vallen. 

Hof Arnhem, 26 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6672