Inlenend bedrijf zelf aansprakelijk voor schade.

Een ingeleende werknemer veroorzaakt schade bij het bedrijf waar hij gedetacheerd is. De inlener probeert de schade te verhalen bij het uitlenend bedrijf met een beroep op art. 6:170 BW. Daarin staat, dat de werkgever aansprakelijk voor de schade van een derde, die is veroorzaakt door een fout van een ondergeschikte. Maar het artikel is niet volgens het gerechtshof niet van  toepassing in de relatie inlener-uitlener.

Feiten

Het Werkbedrijf Goeree-Overflakkee is een zogenaamd SW bedrijf, aangewezen voor de uitvoering van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Dat houdt in, dat zij zich richt op de ontwikkeling van arbeidsvaardigheden van personen met een afstand tot de arbeidsmarkt (zoals mensen met een WSW-indicatie, een WAJONG- of WW-uitkering en mensen in een re-integratie-traject). Als zodanig detacheert het Werkbedrijf deze personen bij bedrijven. Eén van die bedrijven is de Afvalservice Goeree-Overflakkee, verder de ASGO. In augustus 2007 is een detacheringsovereenkomst gesloten waarbij het Werkbedrijf vanaf september 2007 voor onbepaalde tijd bij de ASGO medewerker Jansen zal detacheren. Hij zal daar onder meer worden belast met het sorteren van afval met de hand en de heftruck.

 

Het Werkbedrijf heeft in verband met deze detachering tussen april 2009 en mei 2010 acht facturen aan ASGO gezonden. Die heeft een aantal van die facturen onbetaald gelaten. Het Werkbedrijf heeft de openstaande vordering ter incasso aan een deurwaarder gegeven. Na diens aanmaning op 8 juni 2010 stelt de ASGO een dag later schriftelijk het Werkbedrijf aansprakelijk omdat Jansen schade heeft veroorzaakt aan het gebouw. Doordat ook een waterleiding in de vloeistofdichte vloer is geraakt, en deze hersteld moet worden door een erkend bedrijf, heeft deze aansprakelijkheidsstelling lang op zich laten wachten. De brief besluit met de mededeling, dat het Werkbedrijf op de hoogte zal worden gesteld als het definitieve schadebedrag bekend is. Ook wordt het Werkbedrijf aansprakelijk gesteld voor de schade aan een deur en eerdere schade aan een vrachtauto, die door Jansen zou zijn veroorzaakt.

 

Het Werkbedrijf vordert betaling van de openstaande facturen van € 10.124,48, vermeerderd met rente en kosten. ASGO beroept zich op opschorting en verrekening in verband met de vordering tot schadevergoeding van de schade die Jansen heeft veroorzaakt en vordert van het Werkbedrijf een bedrag van €17.662,54. De rechtbank wijst de vordering van het Werkbedrijf grotendeels toe, die van ASGO wordt afgewezen. Die gaat in beroep.

Oordeel gerechtshof.

Volgens het hof roept artikel 6:170 BW een buitencontractuele aansprakelijkheid in het leven van een werkgever als een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden een fout maakt, waardoor een derde schade ondervindt. Maar die bepaling is niet van toepassing in de contractuele verhouding tussen een uitzendbureau / detacheringsbedrijf (de “formele werkgever”) en een inlenend bedrijf (de materiële werkgever). ASGO is in deze geen “derde” als bedoeld in artikel 6:170 BW. De stelling  van ASGO, dat het Werkbedrijf (en niet ASGO als inlener) in de praktijk feitelijk toezicht hield op het werk van Jansen is onvoldoende gemotiveerd. De werkbegeleider was een medewerker ASGO. Dat het Werkbedrijf een job coach had benoemd betekent nog niet, dat deze dame feitelijk toezicht hield en/of instructies gaf en/of anderszins zeggenschap had over de werkzaamheden van Jansen als afvalsorteerder op een heftruck bij ASGO.

 

Het bestaan van een detacheringsovereenkomst is op zichzelf niet genoeg om aansprakelijkheid van het Werkbedrijf als uitlener jegens ASGO als inlenende partij aan te nemen voor elke schade die het gevolg is van een fout van de uitgeleende werknemer. Daarover staat ook niets in de overeenkomst. Het Werkbedrijf is alleen dan aansprakelijk voor dergelijke schade, als die het gevolg is van een toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de detacheringsovereenkomst. Maar het Werkbedrijf hield in de praktijk geen toezicht en kan ook geen fout of onzorgvuldigheid worden verweten bij de selectie en detachering van Jansen.

 

ASGO heeft ook aangevoerd, dat Jansen onder invloed van alcohol de heftruck bestuurde en daardoor (veel) schade heeft veroorzaakt. Er zou sprake zijn van een drankprobleem, het Werkbedrijf was daarmee bekend en het alcoholgebruik was de oorzaak van de door Jansen veroorzaakte schade. Maar het hof stelt, dat dit pas laat in de procedure is aangevoerd en oordeelt verder, dat ASGO is tekortgeschoten in haar stelplicht, zeker nu het Werkbedrijf de stellingen van ASGO gemotiveerd heeft betwist.

 

Het Werkbedrijf heeft als reactie op de stellingen van ASGO aangevoerd, dat Jansen vanaf 2007 tot tevredenheid van ASGO bij ASGO heeft gewerkt; dat die tevredenheid blijkt uit de periodieke gespreksverslagen; Jansen nooit van het werk is gestuurd; dat nooit is gesproken over een drankprobleem; dat één maal een schadegeval is gemeld, maar dat ASGO dit zelf zou oplossen; er verder nooit contact is geweest over een schadegeval; het Werkbedrijf door ASGO nooit in gebreke is gesteld.

 

Het hof komt tot de conclusie, dat het hoger beroep faalt.  

Aantekening

De werkgever is - op grond van artikel 6:170 BW - aansprakelijk voor de daden van zijn ondergeschikten, behalve als hij kan aantonen dat er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de kant van de betrokken werknemer. Dat zal niet snel worden aangenomen. Bepalend is, of de werknemer in kwestie het plegen van een onrechtmatige daad (als bedoeld in artikel 6:162 BW) kan worden toegerekend. Als dat het geval is, en de werknemer kan geen opzet of bewuste roekeloosheid worden verweten bij het plegen van die daad, zal de werkgever op moeten draaien voor de schade die het gevolg is van het handelen van zijn werknemer. Artikel 6:170 gaat om een buitencontractuele risicoaansprakelijkheid.

 

In de hierboven besproken zaak was er sprake van een contractuele aansprakelijkheid (op basis van een detacheringsovereenkomst) waarbij centraal stond, wie nu precies als “werkgever” van meneer Jansen (diens naam is uiteraard fictief) moest worden gezien. Normaal gesproken is dat het inlenende bedrijf. Die geeft immers de opdrachten, zorgt voor veilige werkomstandigheden en houdt daar ook het redelijkerwijs te vorderen toezicht op. Maar daar probeerde de inlener met allerlei argumenten onderuit te komen om zo de bal neer te kunnen leggen bij het Werkbedrijf. Als hij daarin was geslaagd, had hij inderdaad de schadekosten kunnen verhalen bij deze uitlener. Maar – en dat is denk ik een belangrijke overweging – het ging hier om een detacheringsovereenkomst, waarbij een persoon (Jansen) wordt uitgeleend om werkzaamheden bij ASGO te verrichten. En dat is niet genoeg om de schade te verhalen. Komt nog bij, dat het daadwerkelijke toezicht primair lag bij inlener ASGO – ondanks de begeleidingsactiviteiten van het Werkbedrijf.

 

Merkwaardig is wel, dat de inlener pas vrij laat op de proppen komt met een alcoholprobleem van Jansen, waarover nooit eerder gerept is. Dat argument komt op mij over als een zwaktebod van de inlener. Dat daar wel een werknemer met een smetje de dupe van wordt maakt dit in mijn ogen des te erger! Maar hoe dan ook: voor de schade die een ingeleende werknemer veroorzaakt aan spullen van het inlenende bedrijf zal doorgaans de inlenende werkgever zelf moeten opdraaien.

 Hof den Haag, 5 augustus 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2519; JAR 2014/226