Stommiteit is nog geen bewuste roekloosheid!

 Een werknemer valt in een ketel met hete vloeistof, loopt ernstige verbrandingen op en wil vergoeding van zijn schade. Het gerechtshof oordeelt, dat de werkgever zijn wettelijke zorgplicht niet is nagekomen.

De feiten

Een dan 27 jarige man werkt sinds 2007 bij een vleeswarenfabriek, de laatste jaren als productiemanager/KAM-functionaris (Kwaliteit-Arbo-Milieu). In de fabriek staan kookketels waarin vlees wordt gekookt. In mei 2011 klimt hij op een werkende kookeenheid om naar een technische ruimte te gaan. Die zit 1.30 m boven de ketel achter een luik van 80 x 80 cm. De temperatuur van de ketel, gevuld met vlees en vleesbouillon, bedraagt ongeveer 90°C. De ketel is afgedekt met losliggende platen. De werknemer moet het typenummer aflezen van een te vervangen stoomventiel. Omdat het donker is gaat hij terug en leent de mobiele telefoon (met zaklamp-optie) van de productieleider. Als de werknemer weer uit de ruimte komt, verschuift een dekplaat van de ketel en hij valt erin. Hij wordt door twee collega’s gered en gekoeld met water, maar de gevolgen zijn zeer ernstig: 47% van zijn lichaamsoppervlak is verbrand en 37% is derdegraads verbrand. Het bedrijf heeft wegens onvoldoende toezicht een boete gekregen van de Arbeidsinspectie. De werknemer - die 3 jaar later nog steeds niet kan werken - vordert schadevergoeding. De kantonrechter wijst dit af wegens de eigen verantwoordelijkheid van de werknemer. Die gaat in beroep. 

Oordeel gerechtshof

Op grond van artikel 7: 658 lid 1 Burgerlijk Wetboek moet de werkgever zorgen dat werknemers geen schade lijden bij hun werk. Maar dat betekent geen absolute waarborg tegen het risico van ongevallen, zo stelt het hof en vervolgt de mogelijke bewuste roekeloosheid van de werknemer. Daarvan is pas sprake als een werknemer zich, tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging, van het roekeloos karakter van die gedraging daadwerkelijk bewust is geweest (zie HR 20 september 1996, NJ 1997, 198; (Pollemans/Hoondert). De werknemer heeft verklaard, dat hij zich bewust was van het (val)gevaar en wist, dat de inhoud van de ketel heet was. Hij waarschuwde zelf ook altijd als hij medewerkers op de ketel zag staan. Hij was eerder zonder probleem op de ketel geklommen maar was zich de tweede keer niet meer bewust van het gevaar. Daarmee is volgens het hof niet komen vast te staan, dat de werknemer zich, tijdens het (voor de tweede maal) uit het luik op de ketel laten zakken onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval niet daadwerkelijk bewust was van het roekeloos karakter van die gedraging. Dat de werknemer het zelf achteraf heeft over een “stommiteit”  of “domme actie” maakt dit niet anders.

 

Diverse getuigen hebben verklaard, dat zowel werknemers als externe monteurs vaker op de losse afdekplaten klommen om zo het luik te bereiken. Maar er was naar de technische ruimte ook een alternatieve, langere, route: buitenom via een ladder en een luik in de buitenmuur. Die route werd normaliter door externe monteurs gebruikt als het productieproces aan de gang was. Volgens het hof had de werkgever maatregelen moeten nemen om het klimmen op de kookketel te voorkomen. Zeker nu eerder al een externe monteur op een in werking zijnde ketel was geklommen. Dit had verboden kunnen worden, maar dat is pas na het ongeval door aanpassing van het huishoudelijk reglement gebeurd. Ook verplaatsen van de ketel of vastmaken van de platen was mogelijk geweest. Dit alles is nagelaten. Daarmee heeft de Vleeswarenfabriek zijn zorgplicht geschonden en is aansprakelijk voor de schade. 

Aantekening

Zorgplicht werkgever

Op grond van het bepaalde in artikel 7: 658 lid 1 BW is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden, alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 van genoemd artikel genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Met artikel 7:658 BW is niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van ongevallen die hem bij de uitoefening van zijn functie kunnen overkomen. De werkgever dient die maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Wat van de werkgever mag worden verwacht, hangt af van de omstandigheden van het geval (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2005:AU3313). 

Bewuste roekeloosheid

Volgens het hof is niet vast komen te staan dat de werknemer zich tijdens het (voor de tweede maal) uit het luik op de kookeenheid laten zakken onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk bewust is geweest van het roekeloos karakter van die gedraging. Dat kan niet worden afgeleid uit diens verklaring tegenover de Arbeidsinspectie dat hij zich bewust was van het gevaar voor vallen in de ketel. In diezelfde verklaring zegt hij immers dat hij niet genoeg heeft nagedacht en ook dat hij bij de tweede keer dat hij de kookeenheid beklom het risico niet meer besefte. De waarschuwing van de productieleider, toen hij zijn telefoon met zaklamp uitleende, kan evenmin leiden tot bewust roekeloos handelen zoals de Hoge Raad dat heeft gedefinieerd.  

Het hof concludeert, dat de werknemer wist dat de kookeenheid in werking was en dat hij ook wist dat hij in de kookeenheid kon vallen, maar ook die wetenschap houdt evenmin in dat sprake is van bewust roekeloos handelen. Het feit dat de werknemer zelf achteraf vond, dat sprake was van een “stommiteit” of een “domme actie” van zijn kant maakt dat niet anders. 

Het hof gaat ook nog in op de rol van de werknemer, die immers ook KAM-functionaris was. De man had een hbo-opleiding veehouderij en diverse cursussen gevolgd op het gebied van management en kwaliteit, maar had verder geen opleiding of ervaring op Arbo-gebied. Het Arbobeleid moest nog ontwikkeld worden. Voortgang en kwaliteit stonden bij het bedrijf voorop. Verder werkte de man 55 tot 60 uur per week en het hof acht het begrijpelijk, dat hij de - hem fatale - kortste weg nam.  

Wettelijk kader
Artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek
Artikel 4.6 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit

Bron: Hof den Bosch, 3 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1634