Niet waarschuwen maar opruimen! 

Een buitenlandse werkneemster glijdt uit over gelekte koffiedrab. Haar eis tot schadevergoeding wordt toegekend omdat het schoonmaakbedrijf onvoldoende heeft gedaan om het gevaar voor uitglijden tegen te gaan.  

De feiten

Mevrouw Suleiman (niet haar echte naam) komt morgens op weg naar de spoelkeuken op haar werk ten val op een natte tegelvloer en wil schadevergoeding van schoonmaakbedrijf De Plint en twee werknemers van dit bedrijf. Die hebben verklaard, dat het ging om donkerbruine koffiedrab vanuit één van de vuilniszakken op de tegelvloer was gelekt. Een van hen heeft tegen mevrouw Suleiman gezegd: “kijk uit, er ligt drab op de vloer”. Mevrouw Suleiman zei “ja” en knikte. Enige tijd later zijn de werknemers bezig een sopje te maken om de drab op te ruimen, als zij een klap horen. Die is veroorzaakt door mevrouw Suleiman, die is uitgegleden over de drab en hard op de grond is gevallen.  

Oordeel rechtbank

Volgens de rechtbank gaat het om de vraag of De Plint en diens werknemers hebben gehandeld in strijd met hun zorgplicht jegens mevrouw Suleiman, waarbij de criteria van het Kelderluik-arrest (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136) maatgevend zijn. De Hoge Raad werkt die zorgverplichting uit in vier afwegingscriteria en stelt, dat bij het treffen van veiligheidsmaatregelen moet worden gelet op a) niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht maar b) ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, c) op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en d) op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

Uit de verklaringen van de werknemers blijkt dat beiden het gevaar van uitglijden over de drab hebben onderkend, want zij hebben immers gewaarschuwd. Maar alleen waarschuwen voor uitglijden is onvoldoende om het gevaar te keren. De werknemers hadden er rekening mee moeten houden dat mevrouw Suleiman zou kunnen vergeten dat de plek glad was. Bovendien is zij de Nederlandse taal niet machtig. Tussen het wegbrengen van de vuilniszakken en de val van mevrouw Suleiman - de gevaarzettende situatie - lag 10 tot 15 minuten, terwijl de drab op eenvoudige wijze direct had kunnen worden weggehaald. Daarmee acht de rechtbank het personeel aansprakelijk op grond van een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) en is werkgever De Plint eveneens aansprakelijk op grond van diens aansprakelijkheid voor de daden van zijn ondergeschikten (art. 6:170 BW). Het beroep op eigen schuld van mevrouw Suleiman (art. 6:101 BW) faalt, aangezien de onzorgvuldigheid om een waarschuwing te vergeten in het niet valt bij de onzorgvuldigheid om de drab niet meteen op te ruimen. Er zal een deskundige worden benoemd om de hoogte van de schade vast te stellen. 

Aantekening

De werkgever is aansprakelijk voor de daden van zijn ondergeschikten – zo luidt kortweg artikel 170 van het zesde boek van het Burgerlijk Wetboek. Als die werknemers een onrechtmatige daad plegen, dan is de werkgever daarvoor aansprakelijk. Natuurlijk kun je ook de werknemers zelf aansprakelijk stellen. Maar van een kale kip kun je geen veren plukken, vandaar dat je dan beter de werkgever kunt aanspreken. Die is daarvoor, als goed werkgever, trouwens doorgaans verzekerd via de Aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven.

De Plint c.s. hebben aangevoerd dat de schade geheel of gedeeltelijk is ontstaan door eigen schuld van het slachtoffer (art. 6:101 BW). Zij  stellen dat mevrouw Suleiman voor de gladheid gewaarschuwd en dat zij bij binnenkomst de vlek van ruim 30 sm in doorsnede had kunnen of moeten zien. Het slachtoffer stelt, dat zij niet is gewaarschuwd. Maar zelfs als dit zo was, dan vindt de rechtbank dat dit nog niet inhoudt, dat zij de schade geheel aan zichzelf te wijten heeft. Een eventuele onzorgvuldigheid van het slachtoffer, die in het werk een waarschuwing vergeten is, valt volgens de rechtbank in het niet bij de onzorgvuldigheid van de beide schoonmaaksters die de vlek direct hadden kunnen en moeten opruimen. Daarbij merkt de rechtbank nog op, dat hierbij van belang is, dat zij er rekening mee dienden te houden dat het slachtoffer, die de Nederlandse taal niet machtig is, de waarschuwing niet heeft verstaan of niet heeft begrepen.

Uit onderzoek is gebleken, dat het taalprobleem als (mede) oorzaak van arbeidsongevallen nog onvoldoende onderkend wordt. Zo’n taalprobleem speelt niet alleen een rol bij de communicatie met “buitenlanders” of medewerkers die de Nederlandse taal onvoldoende machtig zijn. Ook laaggeletterdheid van werknemers en slechte leesbaarheid van documenten kunnen daarbij van belang zijn. Sinds 2004 is de Stichting Lezen & Schrijven actief op het gebied van laaggeletterdheid en er is een convenant afgesloten tussen overheid, werkgevers en werknemers om dit probleem terug te dringen. In 2005 stelden onderzoekers vast dat problemen met lezen en schrijven bij werknemers in functies zoals productie medewerker, heftruckchauffeur, vrachtwagen chauffeur, installateur, monteur en magazijnmedewerker relatief vaak voorkomen. Voor transport en opslag ondernemingen is het afleveren door buitenlandse chauffeurs als veiligheidsrisico geďdentificeerd. Hun beroep brengt deze groepen werknemers dicht bij de gevaarlijke stoffen, met het risico om zelf betrokken te raken bij een ongeval. 

Let op

Dat men kan uitglijden op een natte tegelvloer is algemeen bekend. Alleen waarschuwen voor het risico van uitglijden is in sommige situaties niet voldoende: het is beter om de ongewenste situatie zo snel mogelijk  op te heffen. 

(Rechtbank Rotterdam, 29 september 2013, Prg 2013, 273; ECLI:NL:RBROT:2013:5867)