Kind valt van Container.

Een meisje van negen jaar valt van een container die tijdelijk door een bouwbedrijf in de woonwijk naast een speelplaats is neergezet. Het hof acht het bouwbedrijf is aansprakelijk voor de schade die (de ouders van) het jeugdige slachtoffer heeft geleden. 

De feiten

Een meisje van 9 jaar klimt in mei 2005 op een drie meter hoge container, bedoeld voor de opslag van bouwmaterialen. De container is wegens renovatiewerkzaamheden in de wijk door een bouwbedrijf naast het enige speelveld in die wijk neergezet. Het bedrijf heeft van de gemeente vergunning gekregen voor het plaatsen van de containers. Bij het van de container afspringen of glijden loopt het meisje letsel aan haar enkel op. De vader spreekt het bouwbedrijf aan voor de schade. De rechtbank wijst de vordering af. De vader gaat in beroep. 

Oordeel gerechtshof

Twee door de vader aangevoerde grieven, gebaseerd op Bouwbesluit en Arbowetgeving falen, maar met de derde grief krijgt hij wel gehoor bij het hof. Die oordeelt dat het ongeval niet is veroorzaakt doordat de container defect was of een ander gebrek vertoonde. Het was echter vrij eenvoudig de container te beklimmen naast het enige speelveld in de wijk. Daarmee was het een gevaar voor in de buurt spelende kinderen. Een gevaar dat zich heeft verwezenlijkt. De vraag is nu, of het laten voortbestaan van dit gevaar onrechtmatig is. Dat moet worden bezien aan de hand van alle omstandigheden van het geval waarbij, indachtig de kelderluikcriteria (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136) in het bijzonder moet worden gelet op de kenbaarheid van het gevaar, de waarschijnlijkheid dat men oplettend en voorzichtig zal zijn, de kans dat dit gevaar leidt tot ongevallen, de ernst van de gevolgen en de mogelijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

 

Het hof acht het een gegeven, dat jonge kinderen speels en nieuwsgierig zijn. Van oplettendheid en voorzichtigheid tijdens hun spel kan niet worden uitgegaan. Als containers worden neergezet naast het enige speelveld in de wijk ligt het voor de hand, dat die de aandacht van spelende kinderen trekken. Als de containers ook nog vrij makkelijk zijn te beklimmen moet daar rekening mee worden gehouden. Het weer van de container afdalen zal minder eenvoudig zijn. De kans dat dit tot een ernstig ongeval leidt is, gezien de hoogte van de container, geenszins denkbeeldig, hetgeen helaas ook gebleken is.

 

Het bouwbedrijf had met relatief weinig kosten de container met hekken af kunnen schermen, zoals met andere containers in de wijk wel was gedaan. Dat kinderen ook een hekwerk kunnen beklimmen acht het hof geen argument, omdat een hekwerk, al dan niet voorzien van een afzetlint of een waarschuwingsbord, ook een kind duidelijk maakt dat het niet de bedoeling is, daarachter te komen. De vraag, of het meisje zich daar feitelijk aan zou hebben gehouden waardoor het ongeval niet zou zijn gebeurd, is niet te beantwoorden, maar lijkt wel aannemelijk. Het hek zou geen garantie zijn geweest, maar wel een extra te overwinnen obstakel waar een waarschuwing van zou uit zijn gegaan. Maar dan had het bouwbedrijf in elk geval al datgene gedaan, wat redelijkerwijze was te verwachten ter voorkoming van een dergelijk ongeval. Dat er een vergunning was voor het plaatsen van de container maakt dit niet anders. Het hof acht daarom het bouwbedrijf aansprakelijk.  

Aantekening

De container in kwestie leverde - gezien de redenatie van het hof -  een gebrekkige zaak op in de zin van artikel 6:173 BW. Door geen hekwerk te plaatsen was sprake van een gevaarzettende situatie en dat levert een onrechtmatige daad op in de zin van artikel 6: 162 BW. 

 

De rechtbank grijpt - zoals zo vaak bij het oordeel of er sprake is van schending van de algemene zorgverplichting - terug naar de kelderluikcriteria die de Hoge Raad in haar arrest van 5 november 1965 (NJ1966, 136) heeft geformuleerd. Het ging in die zaak, bekend als het kelderluik of Coca Cola arrest, om schending van een algemene zorgvuldigheidsverplichting. De Hoge Raad werkte deze verplichting uit in vier afwegingscriteria. Bij het treffen van veiligheidsmaatregelen moet worden gelet op a) niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht maar b) ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, c) op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en d) op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

 

Ook in de voorliggende zaak ging het in essentie om de algemene vraag wanneer het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaar voor anderen ongeoorloofd is. De Hoge Raad heeft in het standaard arrest min of meer algemene gezichtspunten geformuleerd, die niet alleen voor de onrechtmatige daad gelden, maar ook kunnen worden toegepast in de arbeidsverhouding, waar het gaat om het voldoen aan de zorgplicht van artikel 7:658 BW. De omvang van die zorgverplichting van de werkgever wordt niet alleen bepaald door de bepalingen uit de arbeidsomstandighedenwetgeving of het ongeschreven recht. Voor het antwoord op de vraag of een werkgever in de zorg voor de veiligheid van de werknemer is tekort geschoten, zullen de omstandigheden van een concreet geval in hoge mate bepalend zijn. Bij het invullen van de zorgverplichting moet derhalve mede rekening worden gehouden met de kenbaarheid van het gevaar, de kans dat dit gevaar zich manifesteert, de te verwachten oplettendheid en de mogelijkheid van de te nemen maatregelen. 

Tot slot:

Veiligheidsmaatregelen die met betrekkelijk geringe moeite kunnen worden gerealiseerd moeten zeker niet worden nagelaten. Dat geldt niet alleen voor de arbeidsplaats van de eigen werknemers, maar kan ook van toepassing zijn als het gaat om derden, zoals al dan niet gewenste bezoekers. 

(Hof den Bosch, 10 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4196)