Lijn van valgordel ondeugdelijk bevestigd.

Een werknemer valt bij het saneren van een golfplaten dak ruim vier meter naar beneden. Dit ondanks het dragen van een valgordel met valstopapparaat. Bij onderzoek blijkt echter, dat de lijn bevestigd was aan een rotte gording die door het valgewicht is bezweken. De Arbeidsinspectie legt een boete op. Die wordt tot in de hoogste instantie gehandhaafd omdat de gebruikte valbeveiliging door de wijze van bevestiging niet deugdelijk kan worden genoemd.

 Feiten

In september 2010 is een werknemer bezig met het verwijderen van niet draagkrachtige asbesthoudende golfplaten van het dak van een voormalig fabrieksgebouw. De werknemer begeeft zich op het dak via een daarop liggende ladder en op plaatsen waar gordingen de dakconstructie ondersteunen. De positie van die gordingen wordt gevonden aan de hand van de schroeven waarmee de golfplaten zijn bevestigd. Hij maakt gebruik van een veiligheidsgordel met een valstopapparaat, die aan een van de gordingen is bevestigd. Doordat die gording in rotte toestand verkeert bezwijkt deze onder het gewicht van de werknemer. Hij valt vier meter naar beneden en loopt letsel op waarvoor hij in het ziekenhuis is behandeld. Volgens de arbeidsinspectie is art. 3.16 Arbobesluit (voorkomen valgevaar) overtreden en er volgt een boete van 8.100 euro.  Zowel het bezwaar bij de staatssecretaris  als het beroep bij de rechtbank van de werkgever zijn vergeefs. De werkgever gaat in hoger beroep omdat hij vindt, dat hij de wet niet heeft overtreden omdat een veiligheidsgordel met valstopapparaat een doelmatige voorziening is voor dergelijke werkzaamheden.

Oordeel Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State

Volgens de Afdeling is een werkgever in overtreding als hij niet heeft voldaan aan de verplichting die genoemd staan in art. 3.16 Arbobesluit. Bij het bewuste werk was er sprake van valgevaar en werd een valstopapparaat bevestigd aan een rotte houten gording. Daarmee kan het valstopapparaat niet worden aangemerkt als een doelmatige veiligheidsgordel dan wel een ander technisch middel dat beveiliging biedt als bedoeld in art. 3.16 vierde lid Arbobesluit. De stelling dat met dit valstopapparaat de best beschikbare techniek met de minste kans op valgevaar is toegepast, leidt niet tot een ander oordeel. Voor het antwoord op de vraag, of een voorziening als veilig moet worden aangemerkt, is ook van belang of de voorziening veilig is bevestigd. Dat was hier niet het geval. Daarom was het enkele gebruik van een valstopapparaat geen adequate voorziening. De afdeling neemt ook in aanmerking dat het gebouw waarvan de asbesthoudende golfplaten werden verwijderd een oud en al geruime tijd leegstaand gebouw was, waarvoor een verhoogd risico bestond dat de dragende houten gordingen in een slechte staat waren. Door geen nadere inventarisatie uit te voeren en ook geen andere valbeveiliging te gebruiken, is het risico genomen dat zich rotte plekken in de gordingen bevonden. Het beroep wordt verworpen.

Aantekening

Op grond van artikel 3.16, eerste lid, Arbobesluit wordt bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. Op grond van het tweede lid is in elk geval sprake van valgevaar bij aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden, openingen in vloeren, of als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen. Het vierde lid geeft aan dat, indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt, dan wel worden andere technische middelen toegepast die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in het eerste lid bedoelde arbeid geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming.

Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder c, wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete van de tweede categorie kan worden opgelegd, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften, welke zijn opgenomen in artikel 3.16, eerste en vierde lid.

 

Volgens het vierde lid, aanhef en onder b, van Beleidsregels 33 Arbeidsomstandighedenwetgeving kunnen bij de berekening van de op te leggen boete een of meer van de volgende factoren aan de orde zijn die achtereenvolgens leiden tot verlaging van het normbedrag:

Deze factoren gelden ook bij de nieuwe Beleidsregel Boeteoplegging Arbeidsomstandighedenwetgeving die per 1 januari 2013 van kracht is.

 

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie LJN: BV1168) moet de werkgever als overtreder van artikel 3.16, eerste en vierde lid, van het Arbobesluit worden aangemerkt, als onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden worden verricht waarbij valgevaar bestaat, terwijl niet aan de in die bepalingen genoemde verplichting is voldaan.

 

Bij het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, zeker als het gaat om valbeveiliging, zal dus ook moeten worden nagegaan, of er deugdelijke bevestigingsmogelijkheden zijn om dat valgevaar tegen te gaan.

(RvS, afd. Bestuursrechtspraak, 30 januari 2013, LJN: BY9911)