Veroordeling directeur Chemie-Pack.

Ruim een jaar geleden werd Chemie-Pack in Moerdijk door een brand volledig in de as gelegd. Drie leidinggevenden, waaronder de directeur van het bedrijf worden vervolgd. Zij worden vrijgesproken van opzettelijke brandstichting maar wel schuldig geacht aan brand door schuld wegens overtreding van de milieuvoorschriften. Alledrie krijgen taakstraffen en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Bovendien mogen ze twee jaar niet als leidinggevende in een chemisch bedrijf werken. 

Feiten 

Op 5 januari 2011 ontstaat een grote brand bij Chemie-Pack te Moerdijk. Oorzaak is het ontdooien van een vastgelopen membraampomp met behulp van een gasbrander. De omvang van de brand neemt snel toe, omdat er veel brandbare stoffen op het middenterrein zijn opgeslagen in zogenaamde IBCís. De afkorting IBC staat voor Intermediate bulk container, een plastic container in een stalen frame met een inhoud van 250 tot 3000 liter. Het bedrijf en een deel van een naastgelegen bedrijf zijn geheel verwoest. Naast materiŽle schade is er enorme milieuschade en de schoonmaakkosten zijn zeer omvangrijk. Op het middenterrein waren geen voorzieningen om een beginnende (vloeistof)brand in de kiem te kunnen smoren. De vergunningen betroffen uitsluitend opslag van brandbare stoffen in opslaghallen, waar de vereiste brandblusmiddelen wel aanwezig waren. De veiligheidsrisicoís zijn ontstaan doordat het middenterrein stelselmatig werd gebruikt voor opslag. Het Openbaar Ministerie (OM) vervolgt drie leidinggevenden omdat zijn onvoldoende op de hoogte waren van de inhoud van de vergunningen en de risicoís onvoldoende hebben ingeschat.  

Oordeel rechtbank 

De rechtbank gaat, in de meer dan 40 paginaís tellende uitspraak, uitvoerig in op de (geschiedenis van) de vergunningverlening. Ook wordt ruimschoots aandacht besteed aan de werkwijze van het bedrijf bij het verladen van gevaarlijke stoffen en het om- en overpakken van vloeistoffen in kleine emballage en over het handelen waardoor de brand is ontstaan: het mengen van stoffen op het middenterrein. Dat strookte in elk geval niet met de geldende vergunningen. Een en ander brengt met zich mee dat vast is komen te staan dat Chemie-Pack in strijd met de vergunning heeft gehandeld door in de afvulruimte onder een overkapping xyleen, een brandbare stof met een vlampunt lager dan 40 graden, af te vullen en aanwezig te hebben. Of de xyleen ook daar was opgeslagen is onvoldoende duidelijk geworden. De opslag van gevaarlijke producten vond niet meer uitsluitend plaats in de daartoe aangewezen opslaghallen, uitgerust met alle benodigde voorzieningen, maar vond door ruimtegebrek simpelweg plaats op het middenterrein. In de directe nabijheid van deze niet toegestane opslag vond een productieproces plaats. De rechtbank concludeert, dat een en ander paste in de normale bedrijfsvoering van Chemie-Pack. De brander werd - zo hebben diverse getuigen verklaard - niet alleen gebruikt voor het doel waarvoor die bestemd was, namelijk het branden van krimpfolie om pallets op de daarvoor aangewezen plaats, maar ook voor klusjes zonder dat een heetwerkvergunning was afgegeven, bijvoorbeeld om etiketten van IBCís los te maken of te drogen als ze loslieten en ook voor het ontdooien van leidingen.

 

De rechtbank is van oordeel, dat de leiding dit heeft getolereerd, en acht dit bijzonder kwalijk, zeker nu het gaat om een BRZO-bedrijf (Besluit Risicoís Zware Ongevallen), waar juist de veiligheid hoog in het vaandel moet staan. Zij hadden moeten inzien dat de opslagmogelijkheden tekort schoten voor de hoeveelheid die door klanten werden aangeboden. Door de relatief geringe omvang van het bedrijf kan het de leidinggevenden niet zijn ontgaan dat het middenterrein (te) vol stond. Bij onduidelijkheden of tegenstrijdigheden in de voorschriften hadden zij zich moeten laten adviseren door een deskundige of contact moeten opnemen met de vergunningverlener. De directeur heeft aangevoerd, dat hij niet op de hoogte was van het gebruik van de brander voor het oplossen van de bevriezingsproblemen. Maar volgens de rechtbank had hij wel kennis van andere, soortgelijke overtredingen van vergunningsvoorwaarden ter preventie van brand of ontploffing. Een BRZO-bedrijf heeft tot taak, om alles in het werk te stellen om zware ongevallen te voorkomen. Maar de opslag en productiewerkzaamheden op het middenterrein waren in strijd met de voorschriften terwijl de geschikte blusmiddelen ontbraken. De directeur had zelf opdracht gegeven de stoffen daar op te slaan omdat in de loods geen ruimte meer was. Daarmee wist hij van de verboden gedraging die een groot risico op het ontstaan van brand met zich meebracht en heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat overtredingen, zoals het werken met een gasbrander, werden begaan. Ook het verbod op het gebruik van open vuur werd niet strikt nageleefd. De rechtbank acht niet bewezen dat er opzettelijk is gehandeld, maar wel dat de brand is ontstaan door grovelijk, of in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam handelen. De brand is ontstaan door grove onvoorzichtigheid van een medewerker, maar toe te rekenen aan de rechtspersoon, de directeur, de bedrijfsleider en de veiligheidscoŲrdinator van het bedrijf. Daardoor zijn personen en goederen in ernstig gevaar gebracht. De leiding van Chemie-Pack wordt vrijgesproken van opzettelijke brandstichting maar wel schuldig geacht aan brand door schuld wegens overtreding van diverse milieuvoorschriften en het BRZO. 

Veroordeling en strafmaat 

Tegen de directeur was door het OM vier jaar cel geŽist maar de uiteindelijke straf valt aanmerkelijk lager uit, omdat de rechtbank voor de strafmaat aansluiting heeft gezocht bij vergelijkbare zaken. Zo zijn bij de vuurwerkramp in Enschede 20 personen omgekomen en vele gewond. Beide directeuren zijn toen veroordeeld tot 1 jaar onvoorwaardelijk. Ook bij de Volendamse cafťbrand, met vele doden en gewonden is de exploitant veroordeeld tot een voorwaardelijke hechtenis, een taakstraf en ontzegging om 2 jaar in de horeca te werken.

 

De directeur wordt, mede op grond van deze overwegingen, veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur of een vervangende hechtenis van 120 dagen. Het feitelijk leidinggeven aan de verboden gedraging wordt bestraft met een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Wegens diverse overtredingen van de Wet milieubeheer en het BRZO 1999, begaan door een rechtspersoon, waaraan de directeur feitelijk leiding heeft gegeven, volgt een verbod van 2 jaar om op te treden als leidinggevende van een dergelijk (BRZO plichtig) bedrijf. De directeur heeft er volgens de rechtbank blijk van gegeven dat hij onvoldoende kennis had van milieuregels en onvoldoende inzicht had in de gevaren die een dergelijke inrichting met zich meebrengt. Hij zal zich eerst op dit vlak moeten bekwamen. Het OM was het met de strafmaat niet eens en heeft direct beroep aangetekend.

 

Ook de strafmaat tegen de andere aangeklaagden viel op grond van dezelfde overweging van de rechtbank aanmerkelijk lager uit dan door het OM was geŽist. Tegen de veiligheidscoŲrdinator was, wegens het feitelijk leiding geven aan brandstichting en overtreding van de vergunningvoorschriften, drie jaar geŽist en op dezelfde gronden was twee jaar geŽist tegen de productieleider. Zij kwamen er van af met een taakstraf van respectievelijk 240 en 180 uur. Beiden hebben ook een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden gekregen en als bijkomende straf wordt ook hen het recht ontzegd, hun beroep gedurende twee jaren te mogen uitoefenen. De rechtszaken tegen deze personen zijn tot nu toe niet gepubliceerd, daarom is niet goed aan te geven, wat hun rol in het geheel is geweest.

 

Aan het bedrijf Chemie-Pack Ė dus de BV als rechtspersoon - is een boete opgelegd van 400.000 euro.

Noot: Zowel de veroordeelden als het Openbaar Ministerie zijn in beroep gegaan.

(Rechtbank Breda, 21 december 2012, LJN: BY7000)