Wegschietende spijker.

Twee personen zijn in de woonkamer van een studentencomplex samen bezig om kerstversiering en –verlichting op te hangen. Een van deze twee staat op een stoel en wil een spijker in een betonnen muur slaan om de kerstverlichting aan op te hangen. De andere staat op ongeveer twee meter afstand toe te kijken. De spijker schiet echter weg en komt in het oog van de ander terecht. Blijvend oogletsel is het gevolg. De rechtbank wijst aansprakelijkheid van de “timmerman” op grond van een onrechtmatige daad af.

Feiten

Twee mannen wonen in een studentencomplex en zijn in december 2010 bezig met het ophangen van de kerstversiering en -verlichting in de gemeenschappelijke woonkamer. Eén van hen staat op een stoel en wil een spijker in een betonnen muur slaan om de verlichting aan op te hangen terwijl de ander toekijkt. Hij staat ongeveer twee meter achter de “timmerman” als de spijker wegschiet en in zijn oog terechtkomt. Hij loopt daardoor blijvend oogletsel op. Het slachtoffer wil zijn schade vergoed zien maar Univé, de aansprakelijkheidsverzekeraar van de “timmerman” wijst aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval af. Het slachtoffer stapt naar de rechter. Hij is van mening, dat er sprake is van een onrechtmatige daad (art.6:162 BW) omdat de “timmerman” met ongeschikte spijkers in een betonnen muur probeerde te slaan. Het is immers algemeen bekend, dat er eerst moet worden geboord in beton. Het slaan van een spijker in beton is een gevaarlijke bezigheid en daarom is, met verwijzing naar de Kelderluikcriteria, de “timmerman” aansprakelijk.

Oordeel rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van onrechtmatig handelen van de “timmerman”. Daarbij is allereerst van belang dat de man deugdelijk materiaal heeft gebruikt. Hij heeft immers betonspijkers gebruikt bij het ophangen van de kerstverlichting. De kans dat als gevolg van het wegspringen van de spijker het slachtoffer oogletsel zou oplopen is, mede gezien de afstand van circa 2 meter, zo gering dat de “timmerman” daarop niet bedacht hoefde te zijn. Daarom kan niet worden verwacht, dat hij voor dit risico zou waarschuwen. Ook kon niet worden verlangd dat hij bijzondere voorzorgsmaatregelen zou nemen. Er rustte onder de gegeven omstandigheden niet de plicht om de anderen de kamer uit te sturen voordat hij de spijker in het beton te slaan. Ook een waarschuwing om voldoende afstand te houden was niet aan de orde, omdat het slachtoffer op het moment van het ongeval op ruim 2 meter afstand stond. Een algemene waarschuwing om op te letten is ook niet aan de orde omdat tussen partijen niet in geschil is dat het slachtoffer heeft toegekeken en er mee bekend was dat de “timmerman” de spijker in het beton zou gaan slaan. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

Noot

Het slachtoffer doet een beroep op de onrechtmatige daad. Voor een dergelijk beroep zijn een vijftal criteria van belang. Er ontstaat pas een plicht tot schadevergoeding als aan vijf voorwaarden is voldaan: het moet gaan om een onrechtmatige gedraging (doen of nalaten); er moet sprake zijn van  toerekenbaarheid van de daad aan de dader; er moet schade zijn; er moet sprake zijn van een causaal verband tussen de daad en de schade; en tenslotte moet voldaan zijn aan eisen van relativiteit. De rechtbank loopt deze criteria niet allemaal langs maar komt langs de weg van de Kelderluikcriteria (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136) tot het oordeel, dat er geen sprake is van aansprakelijkheid. De Hoge Raad heeft in dit standaardarrest uit 1965 min of meer algemene uitgangspunten geformuleerd waarbij rekening moet worden houden als het gaat om het invullen van de zorgverplichting jegens een ander. Het gaat dan om de kenbaarheid van het gevaar, de kans dat dit gevaar zich manifesteert, de te verwachten oplettendheid en de mogelijkheid van de te nemen maatregelen. In deze zaak wijst de rechtbank er op dat deugdelijk materiaal werd gebruikt, het ging immers om het gebruik van betonspijkers. Daarnaast was de kans dat als gevolg van het wegspringen van de spijker een ander, die op 2 meter afstand stond, oogletsel zou oplopen zo gering dat daaraan niet gedacht hoefde te worden. Om die redenen mocht ook niet van degene die aan het timmeren was, verlangd worden dat hij de ander zou waarschuwen voor een dergelijk risico.

 

De rechtbank komt tot een vergelijkbaar oordeel als de Kantonrechter den Haag van 6 april 2012  (LJN: BW3175). Daarbij ging het om een metselaar van een bouwbedrijf die een stalen nagel in een buitenmuur sloeg om een draad te kunnen spannen voor het plaatsen van dorpels op een nieuwbouwproject. Bij de eerste hamerslag schiet een deel van de nagel weg en komt in zijn oog terecht. Hij loopt hierbij ernstig letsel op. De arbeidsinspectie heeft geen overtreding van de Arbowetgeving vastgesteld en er bestaat volgens de rechtbank ook geen wettelijke verplichting voor het dragen van een veiligheidsbril bij het slaan van spijkers in een gevel. Ook hier werd de vordering van het slachtoffer voor vergoeding van zijn schade afgewezen. De kantonrechter was van oordeel, dat de werkgever niets te verwijten viel en dat hij aan zijn zorgplicht op grond van 7:658 BW had voldaan.

 Rechtbank 's-Gravenhage,16 mei 2012, LJN: BW7278