Onveilige transportband.

Een werknemer probeert folie te verwijderen uit een werkende bandtransporteur, als de mouw van zijn trui tussen de keerrol en de transportband komt. Zijn rechter arm raakt bekneld en wordt volledig afgerukt. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk. Het gerechtshof is het daarmee eens en oordeelt dat de werkgever is tekortgeschoten in zijn zorgplicht. 

Feiten

Een 46 jaar oude werknemer werkt als ploegleider met een veiligheidsfunctie bij een kunststof afvalverwerkingsbedrijf. Tijdens een poging om folie te verwijderen uit een draaiende bandtransporteur, is de mouw van zijn trui tussen de keerrol en een transportband terecht gekomen, waardoor zijn rechter arm bekneld is geraakt en uiteindelijk volledig is afgerukt. De transportband heeft kort daarvoor ruim vier uur stil gestaan voor regulier onderhoud door de technische dienst. Bij dat onderhoud heeft de technische dienst al geconstateerd dat er folie tussen de keerrol en de band zat, maar aangenomen werd, dat de folie spontaan zou loskomen. Het latere slachtoffer heeft daarom zelf geprobeerd, de folie te verwijderen met noodlottig gevolg. De werknemer  raakt volledig arbeidsongeschikt en stelt de werkgever aansprakelijk op grond van primair artikel 7:658 BW (de zorgplicht) en subsidiair artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap). De Arbeidsinspectie heeft een Ongevallenboeterapport opgemaakt op grond van overtreding van artikel 16 Arbowet, juncto artikel 7.5 lid 3 Arbobesluit. Maar er is geen boete opgelegd, omdat de inspectie van oordeel was dat de werkgever geen verwijt trof. Er was (kort gezegd) voldoende invulling gegeven aan het Arbobeleid en het slachtoffer was een ervaren werknemer, die tevens een toezichthoudende rol vervulde op de werkvloer. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer af, omdat hij van oordeel is, dat de werkgever zijn zorgplicht niet heeft geschonden en het ongeval niet had kunnen voorkomen (Ktr Sittard-Geleen, 9 april 2008, LJN BC8906). De werknemer gaat in beroep.

 Oordeel gerechtshof

De werkgever heeft aangevoerd dat de werknemer een zeer ervaren ploegleider was en verantwoordelijk voor de veiligheid van het productieproces. Tegen alle voorschriften in had hij echter zijn arm gestoken in de richting van de draaiende transportband, die aan alle vereisten voldeed. Tevens stelt de werkgever dat niet kan worden verwacht dat er continu toezicht wordt gehouden op een werknemer wiens taak het is om toezicht te houden. Volgens het hof dient bij de beantwoording van de vraag of de werkgever in zijn zorgplicht tekort is geschoten rekening te worden gehouden met de kans op een bepaalde handelswijze van een werknemer die tot een ongeluk kan leiden. Daarbij is met alleen de grootte van de kans van belang, maar ook de aard, ernst en omvang van de schade als het ongeluk zich voordoet, alsmede de mate van bezwaarlijkheid (financieel en anderszins) van de voorzorgsmaatregelen. Het feit dat het gebruik van een machine een risico op ongevallen met zich meebrengt, wijst in de richting van een vergaande zorgplicht van de werkgever, ook ter voorkoming van schade door onwaarschijnlijke bewegingen van werknemers. Het hof oordeelt dat werknemer geen veiligheidsman was, maar een groot aantal uitvoerende taken had en dat hij onder hoge werkdruk dagelijks omgang met machines had. Dit heeft ertoe bijgedragen dat door hem niet de nodige voorzichtigheid in acht is genomen. Het had op de weg van de werkgever gelegen om te onderzoeken of afdoende preventieve maatregelen nodig waren en dat niet had mogen toestaan dat de machine zonder dergelijke maatregelen werd gebruikt. Hierdoor is een risico in het leven geroepen dat een ongeval kan plaatsvinden. Daarmee is de werkgever tekortgeschoten in zijn zorgplicht.  

Aantekening

Interessant is op welke wijze de werkgever in het kader van zijn zorgplicht ex artikel 7:658 BW rekening moest houden met de kans dat een bepaalde handelwijze van een werknemer tot een ongeluk zou kunnen leiden. Daarbij is volgens het hof niet alleen van belang de grootte van die kans, maar ook de aard, ernst en omvang van de schade als het  ongeluk zich voordoet alsmede de mate van bezwaarlijkheid (financieel en anderszins) tot het nemen van de voorzorgsmaatregelen. Het hof hanteert in deze zaak de Kelderluikcriteria (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136) om te beoordelen, of de werkgever al dan niet aan de zorgplicht heeft voldaan. Voor de beoordeling van deze vraag lijkt dat een minder gebruikelijke gang van zaken. In eerdere uitspraken heeft de Hoge Raad het toepassen van de kelderluikcriteria in het geval van werkgeversaansprakelijkheid goedgekeurd c.q. toegepast, zie JAR 2008, 73 en JAR 2006, 11. Bij deze zaken ging het vooral om typische ongevallen die iemand overkomen en meestal niet om dit soort zaken waarbij een werknemer met zín arm bekneld raakt doordat de werknemer minder aandacht heeft voor de veiligheid. Het hof stelt verder, dat het feit dat het hier gaat om het gebruik van een zaak (een machine) die naar de aard van die zaak het risico van ernstige ongevallen meebrengt, wijst in de richting van een vergaande zorgplicht van de werkgever, ook ter voorkoming van schade door onwaarschijnlijke gedragingen van werknemers. Dat houdt tevens in, dat regelmatig moet worden nagegaan, of de genomen veiligheidsmaatregelen nog wel afdoende zijn. 

Tot slot

Een werkgever moet regelmatig nagaan of de voorgeschreven preventieve maatregelen nog afdoende zijn of dat een veiliger werkmethode mogelijk is.  

Hof Den Bosch, 12 juli 2011, Prg 2011, 214; LJN BR1513; JAR 2011, 243