Manege aansprakelijk voor letsel vrijwilligster.

 Een vrouw rijdt al jaren paard en maakt als groom deel uit van het vierspanteam van de eigenaar van de manege. Zij krijgt daarvoor geen vergoeding, maar mag als tegenprestatie tegen gereduceerd tarief gebruik maken van een paard dat eigendom is van de manege. Beging januari 2008 vraagt de eigenaar of zij een paard wil testen op geschiktheid voor het vierspanteam. Van dit paard is bekend dat het moeite heeft met het laten opstappen van een ruiter. De vrouw wordt afgeworpen en loopt blijvend letsel op. Zij stelt de manege aansprakelijk. Die heeft voor 50% aansprakelijkheid erkend op grond van art. 6:179 BW (aansprakelijkheid voor dieren). Het hof stelt de werkgever geheel aansprakelijkheid op grond de zorgplicht van art. 7:658 lid 4 BW.

Feiten

Een vrouw, geboren in juli 1987, rijdt sinds haar tiende jaar paard bij een manege. Sinds 2004 maakt zij als groom deel uit van het vierspanteam van de eigenaar van de Manege. Zij krijgt daarvoor geen vergoeding, maar mag als tegenprestatie voor haar werk en de andere klussen tegen gereduceerd tarief voor paardrijlessen en dressuurwedstrijden gebruikmaken van een paard dat eigendom is van de manege. Beging januari 2008 vraagt de eigenaar van de manege of zij een paard dat die dag is aangekomen wil testen op geschiktheid voor het vierspanteam. Van dit paard is bekend dat het moeite heeft met het laten opstappen van een ruiter. De vrouw bestijgt het paard maar wordt na tien minuten afgeworpen, waarbij zij op stenen terecht komt. Zij breekt haar rechterarm en de linkerelleboog wordt verbrijzeld, wat resulteert in blijvend letsel. Zij stelt de manege aansprakelijk voor haar schade. De manege heeft voor 50% aansprakelijkheid erkend op grond van art. 6:179 BW (aansprakelijkheid voor dieren). De rechtbank neemt voor de overige 50% aansprakelijkheid aan op grond van art. 7:658 lid 4 BW (zorgplicht werkgever voor derden). De manege gaat in hoger beroep.

Oordeel gerechtshof

Het hof overweegt dat met artikel 7:658 lid 4 BW wordt beoogd om de vrijheid van degene die een beroep of bedrijf uitoefent, de keuze te geven voor het laten uitvoeren van werkzaamheden door werknemers of anderen. Maar die keuze mag niet van invloed zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een arbeidsongeval. Het testen van nieuwe paarden hoort tot de werkzaamheden die op de manege worden uitgevoerd door personeel dat wel een arbeidsovereenkomst met de manege heeft. Verder is voldoende gebleken dat de werkzaamheden van de vrijwilligster niet incidenteel van aard waren. Dat zij van het vrijwilligerswerk haar hobby maakte en daarvoor geen directe geldelijke beloning ontving is, gezien de strekking van art. 7:658 lid 4 BW, geen reden om haar de bescherming van dit artikel te onthouden. De stelling van de manege dat zij niet is tekortgeschoten in haar zorgplicht wordt door het hof verworpen. Ook als de vrijwilligster de risico's van de situatie had moeten overzien, zoals de manege stelt, doet dat niet of aan de aansprakelijkheid van de manege, alleen al niet omdat in haar stellingen niet ligt besloten dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van vrijwilligster. Het beroep van de manege wordt verworpen.

Aantekening

Ook in een vergelijkbaar arrest van het Hof Arnhem (11 januari 2005,  JAR 2005, 47; LJN: AS2588) werd aansprakelijkheid van de organisatie die werkt met vrijwilligers aangenomen.  In deze zaak ging het om een vrouw die als vrijwilligster werkt bij een dierenasiel. In dat asiel staan borden met de tekst "afblijven, hond bijt". Op een gegeven moment heeft zij een incident gehad met een Anatolische herder. Daarop is het haar verboden om de kennel binnen te gaan en zij wordt verder belast met de zorg voor kleine honden. Tijdens een open dag bij de Dierenopvang gaat ze echter toch de kennel van een Duitse herder binnen en wordt in haar hand en/of pols gebeten. De vrijwilligster wil schadevergoeding, primair op grond van art. 7:658 BW (zorgplicht), subsidiair op grond van art. 6:179 BW (risicoaansprakelijkheid voor dieren) en meer subsidiair op grond van art. 6:162 BW (onrechtmatige daad). De kantonrechter wijst de vordering af en de vrijwilligster gaat in beroep. Het hof overweegt, anders dan de rechtbank, dat art. 7:658 lid 4 BW van toepassing is. Dit is in de eerste plaats het geval omdat de Dierenopvang de vrijwilligster werk heeft laten verrichten in de uitoefening van haar beroep of bedrijf. Daarnaast is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt dat art. 7:658 lid 4 BW ook van toepassing kan zijn op overeenkomsten als een stage-overeenkomst, waarbij wel arbeid wordt verricht, maar geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van het hof geldt dit ook voor het vrijwilligerswerk zoals hier, omdat de rechtsverhouding tussen partijen aan alle kenmerken van een arbeidsovereenkomst voldoet, behalve aan het element beloning. Ook sluit toepassing van art. 7:658 lid 4 BW aan bij de ratio van het artikel. De vrijheid van een werkgever om te kiezen op welke wijze hij arbeid laat verrichten, hoort namelijk niet van invloed te zijn op de rechtspositie van degene die bij de arbeid schade oploopt. Dit standpunt vindt ook steun in de literatuur. De Dierenopvang is bovendien, anders dan de vrijwilligster, verzekerd tegen schade door arbeidsongevallen. Maar het hof acht in deze zaak de Dierenopvang toch niet aansprakelijk voor de schade van de vrijwilligster, omdat de Dierenopvang uitdrukkelijk de instructie had gegeven niet de kennel in te gaan. Daarmee heeft de Dierenopvang aan zijn zorgplicht voldaan. Het beroep op art. 6:162 BW kan daarom ook niet slagen. De vrijwilligster kan zich wel beroepen op art. 6:179 BW, maar ook op die grond komt haar geen schadevergoeding toe. De schade moet namelijk op grond van art. 6:101 BW geheel aan haar worden toegerekend, omdat zij in strijd met de expliciet gegeven instructie de kennel van de herdershonden is binnengegaan.

Tot slot

Vrijwilligerswerk kent een rechtsverhouding tussen partijen die alle kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst, behalve het element beloning. Dat houdt in, dat daardoor de “werkgever” van de vrijwilliger een zekere zorgplicht heeft voor de veiligheid en de gezondheid van die vrijwilliger.

 Hof Amsterdam, 29 maart 2011, JAR 2011, 148; LJN: BQ2718