Coördinatie op bouwplaats onvoldoende.

Op een bouwplaats valt een prefabwand van 12 ton om waardoor een zzp-er overlijdt. Een door de hoofdaannemer ingeschakeld bedrijf wordt voor dit ongeval vervolgd. Deze onderaannemer heeft enkele zzp-ers ingeschakeld om de wanden te plaatsen. Die onderaannemer wordt door de rechtbank op grond de feitelijke situatie en de Arbeidsomstandighedenwet gezien als werkgever van de omgekomen zzp-er en veroordeeld wegens het niet nakomen van zijn zorgverplichting.  

De feiten

In februari 2010 valt tijdens de uitvoering van een bouwproject in Woerden een prefabwand van 12 ton om waarbij de bouw werkzame arbeidskracht om het leven komt. De oorzaak is volgens de arbeidsinspectie een onjuiste werkwijze en het gebruik van andere vloerankers. De (hoofd) aannemer heeft een bedrijf ingeschakeld voor (beton)-werkzaamheden en het plaatsen van de prefab wanden. Dat bedrijf heeft voor het plaatsen van de wanden enkele zzp-ers ingehuurd. Eén van hen is het latere slachtoffer. De aannemer heeft de nodige materialen geleverd zoals ankers, bouten, ringen en trek/drukschoren. De zzp-ers gebruikten hun eigen gereedschap. De Arbeidsinspectie heeft geconstateerd dat één van de M12-ankers (waarmee de wand aan de vloer was bevestigd) uit de betonvloer is getrokken. De uitvoerder heeft verklaard dat het anker in de vloer niet was berekend en dat er geen overleg is geweest over de M12-verankering. Een specialist in het gebruik van verankeringen heeft verklaard dat beton 5 dagen na de stort (zoals hier het geval was) vers beton is en dat dan een M12-anker een verkeerd anker is. Ook is het belangrijk dat het anker wordt aangedraaid met een momentsleutel. Die werd niet gebruikt.
Namens de aannemer was een uitvoerder op het bouwwerk aanwezig. Het openbaar ministerie gaat over tot vervolging van de aannemer wegens dood door schuld.  

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt vast, dat de onderaannemer de via zijn uitvoerder de dagelijkse leiding had op de bouwplaats en daarmee is aan te merken als werkgever (art. 1, tweede lid onder a, 1e van de Arbowet). Het werk werd door hem doorgesproken en de materialen werden klaargezet. Ook had de uitvoerder enkele weken eerder het werk stilgelegd in verband met de veiligheid. Daarmee had de aannemer een doorslaggevende invloed op het werk en was daarmee feitelijk werkgever. De aannemer had ook de bevoegdheid om de ingeleende arbeidskrachten weg te sturen waardoor er sprake was van een gezagsrelatie. De uitvoerder was namens de hoofdaannemer aangesteld als coördinator uitvoeringsfase (art. 2.33 onder b Arbobesluit). Volgens de rechtbank had de aannemer via de coördinator ook de voorlichting over de te volgen werkwijze van de prefab wanden moeten coördineren. Dat lag wel op zijn weg, zeker nu hij de materialen zelf had geleverd. Dat is niet gebeurd en daarmee is in strijd met dit artikel gehandeld. Het ongeval had kunnen worden voorkomen door gebruik van een ander (vloer)ankertype. Voor het plaatsen zelf is de aannemer niet aansprakelijk, dat was immers de taak van het betonbedrijf. De aannemer heeft zich naar het oordeel van de rechtbank te passief opgesteld door er vanuit te gaan dat de werkwijze voor het plaatsen van de wanden bij het betonbedrijf ook bij de zzp-ers bekend was en dat hij daar ook niets mee van doen had omdat het werk uitbesteed was. De rechtbank acht dit in strijd met art 19 Arbowet (samenwerking verschillende werkgevers). Gezien de omvang en het gewicht van de prefabwanden had de aannemer redelijkerwijs kunnen weten, dat het niet naleven van de hiervoor weergegeven bepalingen levensgevaar of ernstige gezondheidsschade voor de werknemers te verwachten was. Daarom heeft de aannemer niet voldaan aan de algemene zorgplicht van artikel 32 Arbowet. De aannemer krijgt een boete van 8000 euro (geëist was 10.000).  

Aantekening

Uit het verslag van de rechtszaak blijkt dat er een en ander niet in orde was op deze bouwplaats. Procedures stonden niet op schrift, het in het lood zetten van de wand was niet goed doorgenomen en de zzp-er was niet bekend met de juiste werkwijze van het plaatsen van de wanden. Volgens de arbeidsinspectie - en de rechtbank gaat daar in mee -  had het ongeval voorkomen kunnen worden als voor het vloeranker een ander ankertype zou zijn toegepast dat geschikt was voor toepassing in gescheurd beton en men bovendien het vloeranker goed gemonteerd had. Maar zeker was dit het geval geweest als het plaatsen van de wand met de hijskraan was gebeurd volgens de gangbare veilige werkwijze. De rechtbank is van oordeel, dat de aannemer zich in haar rol als coördinator te passief heeft opgesteld door er vanuit te gaan dat de werkwijze voor het plaatsen van de wanden bij de onderaannemer en de zzp-ers bekend was en dat zij hiervan mocht uitgaan omdat zij het werk uitbesteed had.

 

Interessant in deze zaak is ook, dat een deel van de dagvaarding nietig wordt verklaard. Onderdeel van de telastlegging was, dat gehandeld was in strijd met artikel 3.3, tweede lid, Arbobesluit (inrichting arbeidsplaats) en artikel 2.35 (verplichtingen werkgever). De rechtbank was van oordeel dat dit deel van de tenlastelegging nietig was omdat de arbeidsplaats niet nader was gespecificeerd. Enkel het begrip “arbeidsplaats” is feitelijk omschreven. In de dagvaarding was onvoldoende feitelijk omschreven waarom de inrichting van de arbeidsplaats gevaar voor de veiligheid of de gezondheid opleverde en wat de werkgever werd verweten. Gelet op de conclusie van de Arbeidsinspectie over de oorzaak van het ongeval is de rechtbank niet overtuigd dat de onduidelijkheid over de uitharding van het beton heeft geleid tot levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid. Daarmee is niet voldaan aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering met als gevolg nietigheid voor dit deel van de dagvaarding. 

Tot slot

Een uitvoerder die een doorslaggevende invloed op de voortgang en de uitvoering van de werkzaamheden heeft, kan onder omstandigheden worden beschouwd als feitelijk werkgever. Zeker als de uitvoerder de bevoegdheid heeft om ook de ingeleende arbeidskrachten aan te sturen is al snel sprake van een gezagsrelatie en daarmee van werkgever op grond van artikel 1 Arbeidsomstandighedenwet. 

Rechtbank Utrecht, 18 oktober 2010, LJN: BO1022