Chauffeur vorkheftruck niet schuldig aan ongeval.

Een vorkheftruckchauffeur rijdt op een haventerminal een vrachtwagenchauffeur aan. Die raakt ernstig gewond. De heftruckchauffeur wordt vervolgd wegens roekeloos of in elk geval onoplettend rijgedrag. De rechtbank acht dit echter niet bewezen en spreekt de man vrij.

Feiten

Eind oktober 2008 rijdt een vorkheftruck van 28 ton op het terrein van Sea Terminals een Poolse vrachtwagenchauffeur aan die op het terrein loopt. De heftruck is geladen met pakken cellulose met een totaal gewicht van ongeveer 8 ton. Het slachtoffer is door de aanrijding zodanig gewond dat amputatie van beide benen ter hoogte van beide knieën noodzakelijk is, met levenslange invaliditeit als gevolg. De ingeleende heftruckchauffeur deed dit werk al zestien jaar. Hij was in het bezit van alle benodigde diploma’s en certificaten en had nog nooit een ongeval met een heftruck gehad. Het Openbaar Ministerie (OM) vervolgt de chauffeur van de vorkheftruck wegens schuld aan een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel door roekeloos, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Zijn uitzicht werd beperkt door de lading voor op de heftruck, hij reed met een snelheid die te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse en heeft zich onvoldoende vergewist of de weg vrij was. Het OM eist een werkstraf van 60 uur of een vervangende hechtenis van 30 dagen en zes maanden voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, met een proeftijd van twee jaar. 

Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt dat niet exact is vastgesteld, in hoeverre de lading op de vorkheftruck het uitzicht van de chauffeur heeft beperkt. Vast staat dat de last ongeveer 1.80 m hoog was en in het midden op ongeveer 50 cm vrij van het wegdek werd vervoerd. Dit was een gebruikelijke hoogte waarmee de chauffeur ervaring had. In die situatie was het uitzicht op het wegdek niet beperkter dan gebruikelijk. Ook de snelheid is niet exact vastgesteld maar die was volgens getuigen normaal. De heftruckchauffeur was zich bewust van de risico’s van het rijden met een vorkheftruck op het bedrijventerrein. Hij had geen schriftelijke instructies gekregen om de veiligheid van de voetgangers te waarborgen. Iedereen wist dat het voetgangers verboden was bij de terminals of op de kades te lopen. Op de bestrating waren geen vakken of belijningen aangebracht waarbinnen het voetgangers/vrachtwagenchauffeurs was toegestaan om over het terrein te lopen. Sea Terminal hanteert een intern verkeersreglement dat ook kenbaar was gemaakt. Chauffeurs van vrachtwagens konden op borden lezen dat zij zich slechts binnen één meter afstand rondom hun voertuigen mochten begeven. Die waarschuwing hangt zowel bij de chauffeursbalie als bij de loods, gesteld in het Engels en voorzien van afbeeldingen. Op de website was de instructie ook nog in het Pools te lezen. Tijdens het ongeval stond het slachtoffer ruim zes meter van zijn voertuig, op een plaats waar hij zich volgens de veiligheidsvoorschriften niet mocht bevinden. Hoewel deze fout van het slachtoffer niet afdoet aan de eventuele verwijtbaarheid van de gedragingen van de chauffeur, blijkt hieruit volgens de rechtbank dat er sprake was van een bijzondere situatie.

 

Daarom heeft de rechtbank zich afgevraagd of de heftruckchauffeur daarmee rekening had kunnen en moeten houden, zeker omdat de vrachtwagen van het slachtoffer na de belading langer dan gebruikelijk op het terrein was blijven staan. Volgens de rechtbank verlangde dit op zichzelf een hogere waakzaamheid van de heftruckchauffeur. Maar de vrachtwagen was al vóór de middagpauze geladen en de heftruck was na de pauze (voordat het ongeval plaatsvond) de loods al vier maal in- en uitgereden, om vrachtwagens te beladen. Het is daarom begrijpelijk dat de heftruckchauffeur er van uit ging, dat het slachtoffer in de cabine van zijn vrachtwagen zat.

 

Op de zitting is voldoende aannemelijk geworden dat achteruit rijden met de grote vorkheftruck weliswaar technisch mogelijk is, maar dat dit niet veiliger was voor het verkeer ter plaatse. De heftruck was destijds niet voorzien van camera’s. Daardoor had een chauffeur bij het achteruit rijden het hoofd naar achteren moeten keren en zou de dode hoek nog groter zijn geweest dan bij het vooruit rijden. Vooruit rijden was ook geen bijzondere manoeuvre. De chauffeur was voldoende ervaren om zo te rijden en ook alle andere heftruckchauffeurs rijden met zo’n voertuig vooruit. Of het claxonneren bij het verlaten van de loods - iets wat wel is voorgeschreven maar niet altijd gebeurt - de situatie anders had gemaakt is, gezien de verklaring van het slachtoffer, niet te bepalen. Die heeft immers verklaard dat hij niet weet of de chauffeur die hem aanreed iedere keer claxonneerde. “Ik was bezig met mijn werk en heb er verder niet op gelet”, aldus het slachtoffer. Een getuige heeft overigens verklaard het luide geluid van de motor van de vorkheftruck te hebben gehoord. Op grond van dit alles komt de rechtbank tot het oordeel dat de heftruckchauffeur geen verwijt gemaakt kan worden in termen van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 308 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Zij acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. 

Aantekening

De tenlastelegging bij dit soort (ernstige) verkeersongevallen is gebaseerd op de schulddelicten van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 en artikel 308 lid 1 Wetboek van Strafrecht. Onder “schuld” als delictsbestanddeel in deze strafbepalingen wordt verstaan: een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid respectievelijk een min of meer grove of aanmerkelijke schuld. Of sprake is van dergelijke schuld wordt bepaald door de wijze waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd. Daarnaast is de schuld ook afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de dader, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (zie HR 01 juli 2004, LJN AO5822 en HR 29 juli 2010, LJN BL 5630). Die omstandigheden laat de rechtbank hier zwaar meewegen bij de beoordeling van de schuldvraag, met als resultaat de vrijspraak.

 

Sea Terminals heeft overigens wel een boete van de Arbeidsinspectie gekregen omdat er geen doeltreffende maatregelen waren genomen om te voorkomen dat het slachtoffer gewond raakte door een mobiel arbeidsmiddel. De argumenten: afzeilen en afbinden van de vrachtauto gebeurde binnen het operationele gebied; lijnen of vakken waarbinnen het slachtoffer moest blijven ontbraken; er was geen communicatie over het innemen van een veilige plaats; voetgangers werden toegestaan hoewel het veiligheidsreglement dit verbiedt; er was onvoldoende informatie over de veiligheidszones; het toezicht op de vrachtwagenchauffeurs was onvoldoende en de heftruckchauffeurs hadden geen schriftelijke instructies gehad om de veiligheid van voetgangers te waarborgen.

 (Rb Middelburg, 29 september 2010, LJN: BO0460