Boete onterecht aan werkgever opgelegd

Een werknemer valt door een openstaand luik van een rolsteiger. Volgens de Arbeidsinspectie was het valgevaar niet afdoende tegengegaan door het aanbrengen van een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer of door doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. De werkgever weet aannemelijk te maken dat hij niet wist dat de werknemer gebruik maakte van de rolsteiger. Omdat dit door hem niet was te voorzien acht de afdeling het hoger beroep tegen de opgelegde boete gegrond.

Feiten

Begin maart 2008 valt een werknemer door een openstaand luik van een rolsteiger. Hij wordt voor behandeling van het letsel in een ziekenhuis opgenomen. De werkgever krijgt een boete van 8100 euro wegens overtreding van de artikelen 3.16, eerste lid en 7.4, tweede lid Arbobesluit. Bezwaar en beroep van de werkgever worden verworpen en hij stapt naar de naar de hoogste bestuursrechter.

Oordeel Raad van State

De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van valgevaar en dit gevaar niet was tegengegaan door het aanbrengen van een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer of door middel van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. Verder was de rolsteiger niet van een deugdelijke constructie, omdat leuningwerken op een meter hoogte ontbraken, evenals tussenrichels op vijftig centimeter hoogte. Ook was er een band onder het luik doorgesneden, waardoor het luik niet meer vanzelf sloot. De werkgever heeft gesteld, dat de rolsteiger waarop het bedrijfsongeval is gebeurd niet door hem was gehuurd en dat hij ook niet op de hoogte was van het gebruik van de rolsteiger door zijn werknemer. Het gebruik van die rolsteiger lag geheel buiten de invloedssfeer en kennis van de werkgever. De werkgever heeft met verwijzing naar de overgelegde offertes en facturen aannemelijk gemaakt dat hij van plan was bij de uitvoering van het project alleen gebruik te maken van hoogwerkers en niet van rolsteigers. Er zijn ook daadwerkelijk hoogwerkers gehuurd en op het project gebruikt. Verder heeft de werkgever aannemelijk gemaakt dat hij niet wist dat de werknemer in afwijking daarvan toch gebruik heeft gemaakt van een rolsteiger. De werknemer handelde daarbij incidenteel in opdracht van de uitvoerder van de hoofdaannemer, die zelf wel steeds gebruik maakte van de rolsteiger. Het gebruik van de rolsteiger was voor de werkgever dan ook niet voorzienbaar en er was dus geen aanleiding om de risico's van het gebruik van de rolsteiger te inventariseren. Daarmee kan niet worden beweerd dat de werkgever verwijtbaar heeft gehandeld. Daarom had de minister volgens het negende lid van beleidsregel 33, geen boete op mogen leggen. Dat is door de rechtbank niet onderkend. Daarom acht de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het ministerie wordt veroordeeld tot betaling van de gemaakte proceskosten en het verschuldigde griffierecht.

Aantekening

Een opmerkelijke zaak, waarin de vasthoudende werkgever pas in hoogste instantie zijn gelijk heeft kunnen halen. Zoals bij dit soort zaken gebruikelijk is heeft de Arbeidsinspectie Ė en later in beroep zowel de minister als de (bestuurs)rechter zich op het standpunt gesteld, dat artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit is overtreden, omdat er sprake was van valgevaar en dit gevaar niet afdoende was tegengegaan door de daartoe geŽigende middelen zoals het aanbrengen van een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer of door middel van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. Ook zou het arbeidsmiddel niet deugdelijk zijn geweest en dat is een overtreding van artikel 7.4 van het Arbobesluit.

 

Om een boete te verminderen of helemaal tot nul te reduceren moet, op grond van Beleidsregel 33 worden aangetoond dat de risicoís zijn beoordeeld en dat de nodige maatregelen zijn getroffen. Dan kan een boete met 1/3 worden verminderd. Als vervolgens ook wordt aangetoond dat er instructie is gegeven wordt het boetebedrag met nogmaals 1/3 teruggebracht. Als ook nog wordt hardgemaakt, dat er redelijkerwijs voldoende toezicht is gehouden kan de boete geheel worden kwijtgescholden. Hier voert de werkgever echter het verweer, dat hij helemaal niet kon voorzien dat zijn werknemer van de rolsteiger gebruik zou maken. En daarmee dat hij dus ook nooit had kunnen voldoen aan het eerst vereiste van het maken van een ri&e. Waarmee ook de volgende criteria niet aan de orde komen.

 

Ook de rechtbank was het eens met het standpunt van de minister. Artikel 3.16 Arbowet en artikel 7.4 Arbobesluit waren overtreden en daarmee was de minister bevoegd om de boete op te leggen. Ook ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de werkgever  geen enkel verwijt valt te maken voor dit ongeval, omdat hij onvoldoende feitelijk toezicht heeft gehouden op de werkzaamheden.

 

Maar de Raad van State kijkt daar anders naar. De rolsteiger was niet gehuurd door de werkgever en hij was ook niet op de hoogte van het feit dat die gebruikt werd ten tijde  van het ongeval.  Werkgever heeft aangetoond dat hij voor elk project een ri&e maakte. Omdat hij ook nog kon aantonen, dat hij wel de nodige voorzieningen inhuurde en daadwerkelijk  liet gebruiken om veilig op hoogte te laten werken honoreert de afdeling dit verweer. Een verweer dat gebaseerd is op artikel 9 van Beleidsregel 33: Indien de verwijtbaarheid ontbreekt, wordt geen boete opgelegd.

(RvS, Afd. Bestuursrechtspraak, 30 juni 2010, LJN: BM9661)