Opdrachtgever aansprakelijk voor ongeval.

Een ingeleende werknemer overkomt een ernstig arbeidsongeval. De inlener, tevens de opdrachtgever van het bouwproject, wordt aansprakelijk gehouden voor de gevolgen van het ongeval.

 De feiten  

In april 2007 vindt een arbeidsongeval plaats waarbij een werknemer van aannemer De Groot ernstig letsel heeft opgelopen. De werknemer is tijdelijk uitgeleend aan de opdrachtgever van een te bouwen Fitnessschool. Die opdrachtgever – de eigenaar van de fitnessschool - heeft de werknemer gevraagd om te helpen bij het verplaatsen van enkele triplexplaten op het dak van het pand. Daarbij is de werknemer in één van de uitsparingen voor een nog aan te brengen technische installaties gestapt, ruim 8 meter naar beneden gevallen en op een betonnen vloer terechtgekomen. De veiligheidsnetten die waren aangebracht zijn twee dagen eerder door een ander bouwbedrijf weggehaald. Dat bedrijf werkte voor dezelfde opdrachtgever. De werknemer heeft als gevolg van de val onder meer een schedelbasisfractuur, een verbrijzelde arm, gebroken rug- en nekwervels, een gescheurde milt, een ingeklapte en geperforeerde long en gebroken ribben, bekken, schaambeen, schouder en sleutelbeen opgelopen. Aannemer De Groot heeft als (formele) werkgever de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Verzekeraar Delta Lloyd regelt de schade op grond van een door De Groot afgesloten Aansprakelijkheidsverzekering voor Bedrijven (Avb). De opdrachtgever heeft een boete gekregen van de Arbeidsinspectie wegens overtreding van artikel 3.16 Arbobesluit (valgevaar).

 

Zowel Delta Lloyd als aannemer De Groot vorderen dat de opdrachtgever aansprakelijk wordt gesteld voor de geleden en nog te lijden schade van de werknemer, primair op basis van de zorgplicht van de inlener (art. 7:6658 ld 4 BW), subsidiair op grond van de onrechtmatige daad van art. 6:162 BW en 6:174 BW (aansprakelijkheid voor opstallen) 

Oordeel rechtbank 

Werkgever

Omdat het meest verstrekkende verweer van de inlener is, dat hij niet als werkgever kon worden aangemerkt in de zin van art. 7:658 BW begint de rechtbank daarmee. De inlener stelt, dat er geen gezagsverhouding was en dat de werkzaamheden niet werden verricht in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf (Noot RP: hij is immers in het dagelijkse leven directeur van een fitnesscentrum).

De rechtbank ziet dat echter anders en stelt vast, dat aannemer De Groot op regiebasis verschillende werkzaamheden heeft uitgevoerd in het kader van de bouw van dit bedrijfspand. Dat werk werd achteraf gedeclareerd en betaald. De inlener was niet alleen opdrachtgever bij dit project, maar voerde ook de bouwdirectie en trad op als projectontwikkelaar. Daarmee staat voldoende vast, dat de inlener handelde in de uitoefening van beroep of bedrijf. Hij gaf in het kader van het werk opdrachten aan aannemer De Groot en die werden uitgevoerd, onder meer door het slachtoffer. Daarmee is sprake van inlening zoals bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW. De subsidiaire vorderingen komen dan niet meer ter sprake. 

 

Zorgverplichting
De inlener heeft aangevoerd, dat de zorgverplichting voor het nemen van veiligheidsmaatregelen zou berusten bij aannemer De Groot. Maar er waren aan De Groot geen werkzaamheden op het dak opgedragen. Daarmee staat al vast, dat verplichting voor het nemen van maatregelen op het dak bij de inlener lag. De rechtbank tekent daar nog bij aan, dat hij ook een boete heeft gekregen wegens niet naleven van de Arbowet! Daarmee is de inlener in beginsel aansprakelijk voor de gevolgen van het arbeidsongeval.

 

Ontbreken vangnetten

Ook vindt de inlener, dat het hem niet kan worden toegerekend, dat één van de door hem ingeschakelde aannemers de vangnetten had verwijderd. Dat was in strijd met de door de inlener gegeven instructies. Maar ook dit verweer wordt door de rechtbank in het licht van de zorgverplichting van de inlener verworpen. Die heeft immers zelf, toen hij met de werknemer het dak op ging, vastgesteld dat de veiligheidsnetten - ten onrechte - ontbraken en daar geen consequenties aan verbonden! Hij is niet alleen aansprakelijk voor fouten van door hem ingeschakelde hulppersonen, maar in dit geval berust zijn aansprakelijkheid ook op het nalaten adequate veiligheidsmaatregelen te treffen toen hij zelf had vastgesteld dat die ontbraken.

 

Bewuste roekeloosheid

Tenslotte heeft de inlener de werknemer verweten, dat die bewust roekeloos heeft gehandeld. Dat beroep wordt eveneens verworpen. Weliswaar heeft de werknemer verklaard dat hij de triplexplaten horizontaal droeg, maar ook als aangenomen moet moeten worden dat het met het oog op de veiligheid beter is deze platen verticaal en niet horizontaal te verplaatsen, betekent dit nog niet, dat het horizonaal transporteren een daad van bewuste roekeloosheid oplevert. Er is immers geen sprake van dat de werknemer zich daadwerkelijk bewust is geweest van het mogelijk roekeloos karakter van deze gedraging.

 

Verzekering

Tenslotte heeft de inlener nog aangevoerd, dat hij niet verzekerd is voor deze schade en aannemer De Groot wel. De rechtbank stelt vast, dat er wel een CAR-dekking was afgesloten, maar dat daarin de aansprakelijkheid voor arbeidsongevallen niet was meeverzekerd (zie de Noot aan het eind van dit artikel, RP). Het ontbreken van een adequate verzekeringsdekking voor een ongeval als dit leidt er echter naar het oordeel van de rechtbank niet toe, dat daardoor de draagplicht van de inlener ten opzichte van aannemer De Groot zou komen te vervallen of worden verminderd. 

Uitspraak

De rechtbank wijst de vorderingen toe. Het uiteindelijke schadebedrag zal nader moeten worden vastgesteld.

Noot:

Een zorgplichtzaak op grond van art. 7:658 BW behoort normaal gesproken tot de bevoegdheid van de kantonrechter. Omdat beide partijen echter ook nog een verwante procedure bij de rechtbank hadden lopen, hebben zijn de rechtbank verzocht de zaak af te handelen. Die procedure betrof de verantwoordelijkheid van de verzekeringstussenpersoon: die had verzuimd een goede verzekeringsdekking voor de nieuwbouw aan te bieden. In de CAR dekking (Construction All Risk) ontbrak namelijk de dekking voor de aansprakelijkheidsrisico’s van de inlener/opdrachtgever voor arbeidsongevallen. De tussenpersoon heeft daarmee fout gehandeld en werd door de rechtbank aansprakelijk geacht voor de schade van de aannemer die voortkomt uit het arbeidsongeval. Een kostbaar foutje dus!

 Rechtbank Utrecht, 25 april 2010, LJN BN2963