Werkgever beboet voor gebruik onveilig arbeidsmiddel.

 Een arbeidskracht valt van een steiger naar beneden. De werkgever krijgt een boete opgelegd omdat er sprake was van een onveilige arbeidsmiddel. De werkgever voert aan dat het gaat om een uitgeleende arbeidskracht. De Raad van State gaat uit van de hoofdregel, dat de inlenende werkgever moet worden gezien als de werkgever in de zin van de arbeidsomstandighedenwet. De Raad van State is echter van oordeel, dat niet aannemelijk is gemaakt, dat de werknemer was uitgeleend. De boete is daarom terecht aan de werkgever opgelegd omdat die een onveilig arbeidsmiddel heeft laten gebruiken.

Feiten

Een werknemer, belast met kitwerk op een bouwplaats, wil eind januari 2007 de bovenste werkvloer van een rolsteiger via een luik verlaten. Hij bukt om het luik open te kunnen maken en houdt zich daarbij vast aan de leuning van de steiger op 0,5 meter boven de werkvloer. De leuning raakt los van het frame en de werknemer valt met leuning en al van een hoogte van ruim zes meter naar beneden. Hij loopt letsel op en wordt ter observatie of behandeling opgenomen in een ziekenhuis. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legt de werkgever een boete op van 5.400 euro omdat het arbeidsmiddel niet deugdelijke was geconstrueerd (art. 7.4, tweede lid Arbobesluit). Na bezwaar van de werkgever wordt de boete met de helft verminderd. De reden van die vermindering is uit de stukken niet op te maken, maar de werkgever is hoe dan ook niet akkoord. Hij gaat vergeefs in beroep bij de rechtbank en stapt vervolgens naar de hoogste bestuursrechtelijke instantie.

 Oordeel Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State

De werkgever heeft aangevoerd, dat hij niet de feitelijke werkgever is omdat het hier gaat om een uitgeleende arbeidskracht. De Afdeling stelt, dat de hoofdregel van de Arbowet is, dat niet het uitzendbureau de werkgever is maar de degene die de uitzendkracht inleent. De directeur van de werkgever heeft echter destijds aan de arbeidsinspectie verklaard, dat de werknemer in vaste dienst was. De eigen steiger kon in die ruimte niet gebruikt worden. Daarom heeft een bouwbedrijf deze steiger gehuurd, die door personeel van de werkgever is opgezet. Ook de werknemer heeft verklaard, dat hij in vaste dienst was als kit applicateur. Hieruit blijkt naar het oordeel van de Afdeling dat de directeur de werkzaamheden destijds beschouwde als uitgevoerd door personeel van het eigen bedrijf. De werkgever heeft daarmee naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk kunnen maken, dat er sprake is van een afwijking van de hoofdregel. Dat verweer wordt dan ook verworpen. De werkgever heeft verder gesteld, dat hij niet in strijd met de veiligheidsvoorschriften heeft gehandeld omdat het personeel de aanwijzingen van de montagesticker op de steiger heeft opgevolgd waarop stond dat het frame aan de buitenkant van de steiger kon worden gezet. Bij tegenstrijdigheid tussen deze sticker op de steiger zelf en een verwijzing naar een eventueel andersluidende (niet-bijgevoegde) gebruiksaanwijzing van de fabrikant, zou volgens de werkgever de aanwijzing op de sticker moeten prevaleren. Maar de sticker is door de Afdeling op de rechtszitting bekeken en daaruit kan niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat het leuningframe aan de buitenkant van de steiger zou moeten worden bevestigd. Tenslotte staat ook nog eens in de gebruiksvoorschriften klip en klaar dat dit frame aan de binnenzijde van de steiger moet worden bevestigd. Bovendien hebben de betrokken medewerkers direct na het ongeval verklaard dat de leuning verkeerd was gemonteerd. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel, dat de minister daarom terecht heeft geconcludeerd dat de steiger in strijd met artikel 7.4, tweede lid, van het Arbobesluit niet van een deugdelijke constructie was en dat de werkgever, die de verplichting heeft tot naleving van dit artikel, die bepaling heeft overtreden. Daarom is de boete terecht opgelegd. Het hoger beroep wordt afgewezen.  

Aantekening

De werkgever heeft aangevoerd, dat het om een uitgeleende arbeidskracht ging die onder rechtstreeks toezicht werkte van het bouwbedrijf. En dat daarmee het bouwbedrijf als inlenende werkgever verantwoordelijk zou zijn voor de veiligheid van het slachtoffer. Maar er waren geen schriftelijke afspraken gemaakt tussen de werkgever en het bouwbedrijf waaruit zou blijken, dat de werknemer was uitgeleend. Daarnaast heeft een directeur direct na het ongeval verklaard, dat hij de werkzaamheden beschouwde als uitgevoerd door personeel van het eigen bedrijf. En tenslotte heeft de werknemer zelf ook nog eens verklaard dat hij in vaste dienst was als kit applicateur. Daarmee heeft het er alle schijn van, dat de uitleenconstructie is bedacht om de verantwoordelijkheid voor het ongeval en daarmee de boete - af te wentelen op een ander bedrijf. Het beroep van de werkgever op deze (vermeende?) uitleenconstructie wordt door de Afdeling Bestuursrechtspraak echter verworpen. Bij het uitlenen van werknemers is het inlenende bedrijf in beginsel net zo verantwoordelijk voor de arbeidsomstandigheden van de ingeleende werknemers als voor de eigen werknemers. 

(Afd. Bestuursrechtspraak Raad van State, 17 februari 2010, LJN: BL4120) 

Wettelijk kader:

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, Arbeidsomstandighedenwet

Artikel 16, tiende lid, Arbeidsomstandighedenwet

Artikel 3.16 en 7.4 Arbeidsomstandighedenbesluit