Ladder moet veilig zijn.

Een glazenwasser valt van ruim vier meter hoog van een ladder. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk voor de gevolgen. Hoewel de arbeidsinspectie geen overtreding heeft geconstateerd is het hof van oordeel dat de werkgever toch niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht.

Feiten

Een man werkt al meer dan 15 jaar als glazenwasser. Bij het uitvoeren van werkzaamheden in november 2003 aan een pand in Groningen valt hij van een hoogte van vier tot zes meter van zijn ladder naar beneden. Hij loopt letsel op aan zijn linkerelleboog, linkerpols, linkerhand en linkerenkel. Hij wordt daarna een maand opgenomen in een ziekenhuis en vervolgens nog drie maanden in een revalidatiecentrum. Hij is nog steeds onder medische behandeling. Het ongeval is gemeld bij de Arbeidsinspectie. De inspecteur heeft na onderzoek geen overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 vast kunnen stellen. De inspecteur heeft daarom volstaan met het opstellen van een ongevalsrapport. De glazenwasser heeft verklaard dat, toen hij naar links reikte om een spinnenweb weg te vegen, de ladder naar rechts is weggegleden. Hij heeft zijn werkgever aansprakelijk gesteld voor zijn schade wegens schending van diens zorgplicht (artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek). De kantonrechter heeft de vordering afgewezen en de werknemer gaat in beroep.

Oordeel gerechtshof

Het hof overweegt dat vaststaat dat de ladder op zogenaamde stelconplaten was neergezet. Ook staat vast dat de glazenwasser tijdens het ongeval niet werkte op een ladder die voorzien was van boomverbreders, een stabilisatorstang en/of een antislipplaat, maar met een simpele ladder die uit twee delen bestond. In de rechtszaak staat niet ter discussie dat boomverbreders, stabilisatorstangen en antislipplaten de stabiliteit van een ladder verhogen en daarmee het risico van het vallen van of met een ladder verkleinen. Dat het werken met een ladder die uitgerust is met dergelijke voorzieningen nadelen heeft of dat met de aanschaf hoge kosten zijn gemoeid, is gesteld noch gebleken. Het hof neemt in aanmerking dat het werken op hoogte, zoals van een glazenwasser, aanzienlijke risico's met zich meebrengt. Daarmee hoort het tot de zorgplicht van een werkgever om te zorgen voor een ladder met genoemde voorzieningen. Omdat dit niet is gedaan oordeelt het hof dat de werkgever in zijn zorgplicht tekortgeschoten. Daaraan doet niet af dat uit de Arbowet niet rechtstreeks volgt dat deze voorzieningen moeten worden aangebracht. Op grond van die Arbowetgeving moet een ladder stabiel zijn opgesteld, bestaan uit deugdelijk materiaal en ten minste voldoen aan NEN 2484:1989. Deze NEN-norm moet echter worden gezien als een minimumnorm. Bovendien is de NEN-norm van toepassing op ladders in het algemeen, maar niet toegesneden op het gebruik van ladders voor specifieke werkzaamheden, zoals van een glazenwasser. Dat de Arbeidsinspectie geen overtreding heeft vastgesteld betekend nog niet dat de werkgever zijn zorgplicht heeft nageleefd. Het rapport van de inspecteur is zeer summier. Er blijkt bovendien niet uit of de ladder voldoet aan de NEN-norm en ook niet of de inspecteur is nagegaan of er stabiliserende voorzieningen aanwezig waren. Ook het door de werkgever aangevoerde rapport van de veiligheidskundige kan het hof niet overtuigen. In dat rapport wordt slechts summier ingegaan op de vraag of de ladder moest beschikken over stabiliserende voorzieningen. Die waren volgens de veiligheidskundige niet nodig bij een ladder die volgens de normale regels van goed vakmanschap conform de veiligheidsvoorschriften opgesteld staat. Maar er is niet vastgesteld, of dat laatste ook het geval was. Bovendien kan er niet van worden uitgegaan dat een werknemer die dagelijks op hoogte werkt zich altijd aan de voorwaarden zal houden die door de veiligheidskundige als randvoorwaarden zijn aangegeven. Dat het in de branche niet gebruikelijk is om stabiliserende voorzieningen te gebruiken betekent nog niet, dat ze niet ter beschikking gesteld hadden moeten worden. Zeker nu dergelijks voorzieningen in het bedrijf wel aanwezig waren. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade van de werknemer.

Aantekening

De rechtbank geeft een interessante overweging over het veiligheidsgedrag van werknemers in hun dagelijkse werkzaamheden. Een overweging die al eerder door de Hoge Raad naar voren is gebracht. De rechtbank geeft aan dat het structureel werken vanaf een ladder het risico van vallen met zich meebrengt. Zeker omdat algemeen bekend is, dat een kleine onachtzaamheid tot een val kan leiden. Het werk van een glazenwasser is dan te beschouwen als gevaarlijk werk, zeker als men in aanmerking neemt dat de dagelijkse omgang van een werknemer met gevaarlijke situaties in de hand kan werken dat de aandacht voor diens veiligheid minder wordt. En dat daarmee de te verlangen voorzichtigheid ook in het geding komt waardoor de veiligheid van de werknemer gevaar kan lopen.

 

Op grond van de zorgplicht van de werkgever had die er voor moeten zorgen dat de werknemer bij het uitvoeren van zijn opdracht de beschikking had over een ladder die was uitgerust met stabiliserende voorzieningen zoals boomverbreders, stabiliseerstang en/of antislipplaat. De werkgever wist immers dat het ging om gevaarlijk werk en dat er een behoorlijk risico bestond op vallen. Een risico dat door de genoemde voorzieningen vrij eenvoudig voorkomen had kunnen worden. Nu dat niet gedaan is heeft de werkgever zijn zorgplicht geschonden.

Los daarvan zal een beroep op de eigen voorzichtigheid of oplettendheid van de werknemer de werkgever niet ontslaan van nemen van de minimaal benodigde maatregelen om te zorgen dat de werkplek de veiligheid biedt die men daar van verwachten kan. De werkgever heeft immers een eigen zorgverplichting. Die staat los van de voorzichtigheid die hij van een werknemer mag verwachten. Bij de invulling van die zorgverplichting zal de werkgever ook rekening moeten houden met de mogelijke onvoorzichtigheid van die werknemer.

(Hof Leeuwarden, 3 februari 2009, JAR 2009, 74)

Art. 7:658 Burgerlijk Wetboek

Art. 9 Arbeidsomstandighedenwet 1998