Hulpverlening onder de maat.

Een man raakt ’s nachts te water in een recreatieplas in Almere en verdrinkt onder de ogen van een aantal hulpverleners. De weduwe van de man vordert schadevergoeding. De rechter vindt dat de hulpverlening op meerdere onderdelen tekort is geschoten. Er was sprake van onduidelijke bevelsverstrekking, trage bevelsopvolging en tekortschietend materieel waardoor tijd wordt verloren. Zowel de brandweer als de gemeente zijn aansprakelijk. Omdat de verdrinking mede het gevolg is van onvoorzichtigheid van het slachtoffer hoeven zij maar 1/3 van de schade te vergoeden.

De feiten

In de late avond van 2 op september 2002 gaan een oom en een neef een stukje varen op een recreatieplas in Almere. Ze hebben een gezellige avond gehad, waarbij ook de nodige biertjes zijn genuttigd. Na een uurtje varen moet de neef dan ook nodig een plas. Ze varen op dat moment zo’n 200 meter uit de wal. De neef gaat aan de kant staan waar ook zijn oom al zit en het bootje slaat om. De diepte van de zandwinnningsplas ligt tussen de 4,5 tot 10 meter. Door verbinding met een vaarstelsel is er een onderstroom. Het is die nacht donker en onbewolkt. De luchttemperatuur is 13 graden, de temperatuur van het water is ongeveer 18 graden. De neef zwemt naar de kant en de brandweer wordt ingeschakeld. Tijdens de hulpverlening is de oom nog enige tijd via een door de brandweer opgestelde schijnwerper gezien. Ook heeft hij herhaald om hulp geroepen maar hij verdrinkt. Zijn lichaam wordt een dag later gevonden. Zijn vrouw en twee zonen zijn getuige van de - mislukte - hulpverlening. Zij vorderen schadevergoeding op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek, de onrechtmatige daad. Daarvoor spreken zij zowel de Brandweer, de gemeente Almere, de dienstdoende bevelvoerder als de officier van dienst aan. De laatste was de hoogste in rang aanwezige operationele leidinggevende.

Veel onderzoeken

Het ongeval is door de politie onderzocht waarbij alle partijen zijn verhoord. Ook het Nibra heeft, in opdracht van het Openbaar Ministerie een rapport opgemaakt. Daaruit blijkt dat de hulpverlening niet voldeed aan de standaard die van hulpverleners mag worden verwacht. Er was verder sprake van tal van tekortkomingen die waren terug te voeren op organisatieniveau, de wijze waarop de brandweer was voorbereid en op systeemniveau, de procedures en de opleiding voor het optreden bij waterongevallen. Ook hebben de operationeel leidinggevenden fouten gemaakt nadat het slachtoffer onder water was verdwenen.
 

Op verzoek van de burgemeester heeft ook het COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement onderzoek gedaan naar het incident. Het rapport bevat naast uitvoerige conclusies 22 aanbevelingen die erop zijn gericht dat de werkwijze van de Gemeente en de hulpverleningsdiensten wordt verbeterd.
 

Op verzoek van brandweer en gemeente heeft een psycholoog van de Universiteit Leiden een analyse gemaakt om na te gaan of er omstandigheden waren die het gedrag van de brandweer begrijpelijk maken. Hij heeft geconcludeerd dat binnen het door hem gebruikte psychologische model geen aanwijzingen zijn gevonden van onaanvaardbare of onbegrijpelijke nalatigheid. Hij houdt zich echter verre van de schuldvraag.
 

Eveneens op verzoek van de gedaagden heeft een anesthesioloog van de Vrije Universiteit te Amsterdam geantwoord dat aannemelijk is dat het slachtoffer door het te water raken onderkoeld is geraakt en dat daardoor verlies van spierkracht is opgetreden waardoor hij uiteindelijk onder water is verdwenen. Volgens deze deskundige zou er bij een onderwatertijd van 5 tot 10 minuten een redelijke kans op overleving zijn geweest, een zeer minimale kans op overleven bij 15 tot 20 minuten en die kans zou daarna nihil zijn. Ook deze deskundige maakt een voorbehoud voor wat betreft een eventuele schuldvraag.
 

Opgemerkt wordt in dit verband dat tijdens het incident de ‘Leidraad Bestrijding waterongevallen door de brandweer’ gold, vastgesteld door het College van Commandanten van Regionale Brandweren. Die leidraad beoogt een methodische aanpak van de duiktaak van de brandweer. Er staat onder meer dat een drenkeling na langere onderdompeling in koud water nog altijd een overlevingskans heeft. De tijd waarbinnen een drenkeling onder de meest gunstige omstandigheden nog in leven kan zijn, is maximaal zestig minuten (het zogenaamde gouden uur). Veiligheidshalve wordt gesteld dat er nog van een ‘reddingsactie’ sprake is tot één uur na onderdompeling.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt voor een goed begrip voorop dat het resultaat van de hulpverlening - hoe tragisch ook - geen zelfstandige betekenis heeft. Op de hulpverleners rust immers geen (wettelijke) verplichting om dat resultaat - zoals verdrinking - te voorkomen, maar wel het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen bij ongevallen. Onomstreden is ook dat de duikers zich tot het uiterste hebben ingespannen om het slachtoffer te bereiken. Maar de rechtbank is van oordeel dat het hulpverlenend optreden van de brandweer op meerdere onderdelen tekort is geschoten. Er was sprake van onduidelijke bevelsverstrekking, trage bevelsopvolging en tekortschietend materieel - zo vertoonde het hulpverleningsvaartuig mankementen - waardoor tijd wordt verloren. Definitieve onderdompeling van het slachtoffer had voorkomen kunnen worden. Onder verwijzing naar de leidraad bestrijding waterongevallen is de rechtbank van oordeel dat na de onderdompeling niet adequaat is gehandeld en te snel overgegaan naar bergen in plaats van redden. Beide deskundigen die door de gedaagden zijn ingeschakeld hebben in hun antwoorden een voorbehoud gemaakt als het gaat om een eventuele verwijtbaarheid in civielrechtelijke zin. Dat betekent nog niet dat deze rapportages buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank acht zowel de Regionale Brandweer als de Gemeente Almere aansprakelijk. Maar de rechtbank ziet geen persoonlijke aansprakelijkheid van bevelvoerder en/of officier van dienst. De verdrinking en daardoor de schade bij de nabestaanden is mede het gevolg van onvoorzichtigheid van het slachtoffer zelf die zonder nut of noodzaak ’s nachts is gaan varen in een gebrekkig bootje – enkele luchtkasten waren lek - zonder enig reddingsmiddel. Er zijn overtuigende aanwijzingen dat het slachtoffer voor en tijdens de vaartocht flink wat alcohol had gebruikt - de neef verkeerde in ieder geval aanmerkelijk onder invloed. Daarom zijn de Regionale Brandweer en Gemeente Almere samen slechts voor één derde deel (33,33 %) van de schade aansprakelijk. De rest blijft voor rekening en risico van de eisers. De vaststelling van het exacte schadebedrag zal in een latere procedure aan de orde komen.

Noot

Een trieste zaak, zeker nu de nabestaande getuigen waren van de verdrinking. Een van de zoons was zelfs met een kano naar de plek des onheils gevaren terwijl een van de duikers op 15 tot 30 meter afstand van de drenkeling was aangekomen. De weduwe heeft het Openbaar Ministerie gevraagd om de betrokkenen strafrechtelijk te vervolgen. Dat werd geweigerd en ook het beklag is door het Gerechtshof te Arnhem in december 2003 afgewezen. Desondanks blijft dan nog steeds de mogelijkheid open om een civiele vordering in te stelle. Waarbij toch een oordeel wordt geveld over het handelen van de verschillende betrokken partijen.

(Rb Zwolle, 17 september 2008, LJN: BF0802)