Boetes wegens explosie bij onderhoudswerk.

Tijdens werkzaamheden op een gasbehandelingslocatie van de NAM vindt een explosie plaats. Twee mensen komen om, een derde raakt ernstig gewond. Het openbaar ministerie vervolgt de NAM en het onderhoudsbedrijf wegens overtreding van art. 32 Arbowet ’98. De rechter vindt dat beide bedrijven even schuldig zijn en legt een boete op van 45.000 Euro.

Feiten

Op 31 mei 2005 zijn werknemers van onderhoudsbedrijf GTI bezig met onderhoudswerk op een NAM-locatie in Warffum. Tijdens het laswerk aan een tank ontstaat een explosie. Twee werknemers komen om, een derde raakt zwaar gewond. GTI dacht dat de betrokken tank leeg was. De NAM wist dat er water en aardgascondensaat in zat. Dat laatste is een restproduct dat vrijkomt bij de aardgaswinning en bestaat uit brandbare koolwaterstoffen. De NAM was er niet van op de hoogte dat er gelast zou worden.

Vordering Openbaar Ministerie

De officier van justitie eist wegens overtreding van de voorschriften gesteld op grond van art. 32 Arbowet ’98 een boete van 150.000 Euro voor de NAM en 100.000 Euro voor GTI. Alleen de bedrijven worden vervolgd omdat het onmogelijk bleek, één of meer personen aan te wijzen als direct verantwoordelijk voor de tekortkomingen. Bij het werk zijn met name organisatorische en procesmatige fouten gemaakt, waardoor de explosie kon ontstaan. Die fouten kunnen de rechtspersoon worden toegerekend. Opdrachtgever NAM heeft daarvoor ook de volledige verantwoordelijkheid genomen. De feitelijke uitvoering van het werk was uitbesteed aan GTI. Uit de contractuele verhouding blijkt een nauwe en bewuste samenwerking, vandaar dat het Openbaar Ministerie vindt dat er sprake is van medeplegen.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt vast dat taken onvoldoende zijn uitgevoerd en verantwoordelijkheden niet zijn genomen. Het werk was niet zodanig georganiseerd dat er geen gevaren waren voor de veiligheid van de werknemers omdat is nagelaten na te gaan of de tank leeg was of gereinigd had moeten worden. De werknemers waren onvoldoende voorgelicht over de inhoud van de tank en de mogelijke risico’s van het lassen. Ook was er tussen de partijen sprake van onvoldoende samenwerking en communicatie. Belangrijke taken, zoals het vereiste toezicht op de naleving van de voorschriften, werden gedaan door personen die daarvoor niet de vereiste diploma’s en ervaring hadden. Ook waren de tanks niet voorzien van de vereiste gevaarsymbolen. Dit alles heeft geleid tot de explosie met fatale gevolgen. De rechtbank merkt op dat geen enkele straf recht kan doen aan de enorme gevolgen die het ongeval heeft gehad voor slachtoffers en nabestaanden. De rechtbank acht de NAM en GTI beiden in gelijke mate verantwoordelijk. Omdat het feit is gepleegd door een rechtspersoon kan alleen een geldboete worden opgelegd. De tekst van art. 32 lid 1 Arbowet ’98 gaat uit van een meervoudige delictsomschrijving. Het artikel spreekt namelijk over “levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers”. Daarom kan de op te leggen geldboete, anders dan de officier van justitie heeft geëist, niet worden vermenigvuldigd met het aantal slachtoffers. Maar de rechtbank legt gezien de ernst van het feit wel een boete op in de naast hoger gelegen (5e) categorie. Beide bedrijven krijgen een boete van 45.000 Euro opgelegd.

Aantekening

Zowel de opdrachtgever als de uitvoerder zijn door de officier van justitie als rechtspersoon gedagvaard. Volgens de wetgeving en jurisprudentie kan een rechtspersoon worden aangemerkt als dader indien de gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Een gedraging is redelijkerwijs aan een rechtspersoon toe te rekenen, wanneer de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van deze rechtspersoon. Dit is onder meer het geval wanneer het gaat om handelen of nalaten van iemand die uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf.

 

De gedragingen waar het hier om ging betroffen gedragingen die voortvloeien uit de normale werksfeer van de bedrijven en vallen onder de normale bedrijfsvoering. Daarbij ging het met name om organisatorische en procesmatige fouten die zijn gemaakt, waardoor de explosie zich heeft kunnen voordoen. Dit zijn fouten die de rechtspersoon in zijn geheel kunnen worden toegerekend.

 

Als uit de onderlinge of de contractuele verhouding op een project blijkt, dat er een innige wijze van samenwerken is tussen opdrachtgever en uitvoerder kan er sprake zijn van medeplegen. In geval van overtreding van wettelijke bepalingen kunnen dan beide bedrijven in gelijke mate voor die overtreding worden vervolgd.

 

In deze zaak kon uit de contractuele verhouding worden afgeleid dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarom was er volgens de rechtbank sprake van medeplegen door uitvoerder GTI.

(Rb Groningen, 25 oktober 2007; LJN BB6505 & BB6506

Wettelijk kader