Werkgever aansprakelijk voor rugletsel.

Maar de Hoge Raad geeft geen tilnorm

Een horeca-werknemer tilt met enkele collegaís een zware oven en valt later uit met rugklachten. Hij belandt uiteindelijk in de WAO en vordert schadevergoeding van zijn werkgever. De Hoge Raad oordeelt dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden door geen mechanische hulpmiddelen in te zetten. Ook is het niet aan de werknemer om aan te tonen wat het gewicht van de oven was: dat hoort de werkgever zelf aan te voeren.

De feiten

Een werknemer werkt als horecamedewerker in een restaurant. Eind maart 1998 zal een zware oven worden geÔnstalleerd. Die wordt aangeleverd op een houten pallet en moet dan korte tijd enkele centimeters worden opgetild voor het verwijderen van de pallet waarna de oven op zín eigen wielen naar zín plek kan worden gereden. In opdracht of op verzoek van zijn cheffin helpt hij, samen met drie anderen de oven op te tillen. Het tillen gebeurt rechtstandig, waarbij betrokkenen door de knieŽn gaan. De werknemer meldt zich echter vanaf begin mei 1998 diverse malen ziek met rugklachten. In januari 1999 wordt hij door zijn huisarts verwezen naar een neuroloog, die een hernia vaststelt. Ondanks een operatie in juni 1999 blijft de pijn. In januari 2007 wordt hij voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. In augustus 2000 is hij opnieuw aan zijn rug geopereerd. Hij vordert schadevergoeding van de werkgever. Volgens deskundigen kan het tillen van zoín last tot een hernia leiden. De kantonrechter kent de vordering toe. Maar de werkgever tekent beroep aan. De werkgever stelt dat er geen causaal verband bestaat tussen het tillen van de oven en de hernia. De rugklachten zijn veeleer het gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarbij nog komt dat de werknemer aanleg had voor het ontstaan van rugklachten. Ook vindt de werkgever dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgverplichting, omdat het optillen van de oven niet buitenproportioneel zwaar of gevaarlijk was en niet kon worden verlangd dat hij daarvoor mechanische hulpmiddelen inzette. De oven is onder optimale omstandigheden getild. Het gewicht bedroeg maximaal 200 kg en de werknemer hoefde daarom maar korte tijd een gewicht van 50 kilo op te lichten. Een gewicht dat destijds in de bouwwereld heel gebruikelijk was. Er gold tijdens het incident geen norm voor een maximale belasting bij handmatig tillen. Dat later in de bouwwereld wel een tilnorm van 25 kilo werd ingevoerd had betrekking op tilwerkzaamheden van structurele aard. Het hof wijst de vordering af en de werknemer gaat in cassatie.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad is van mening dat ook volgens de in 1998 gangbare normen en inzichten de werkgever de verplichting had om er voor te zorgen dat een werknemer die een zware last (omstreeks 50 kg) moet tillen de beschikking krijgt over hulpmiddelen om rugletsel te voorkomen. Het is immers algemeen bekend dat het handmatig tillen van zoín gewicht door iemand voor wie dat niet gebruikelijk is een serieus gevaar oplevert voor het ontstaan van rugletsel. Daartegen beschermt zowel art. 7:658 BW als art 5.2 Arbobesluit. Volgens art. 7:658 BW moet de werkgever die maatregelen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Wat van de werkgever in redelijkheid mag worden verwacht, hangt af van de omstandigheden van het geval. Volgens art. 5.2 Arbobesluit moet de werkgever het werk zodanig organiseren en zodanige hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen gebruiken dat fysieke belasting van de werknemer geen gevaren met zich kan brengen voor diens veiligheid en gezondheid.

De werknemer heeft aangevoerd dat de oven zwaarder was dan de 200 kilo die de werkgever zegt. De werkgever heeft daar niet op gereageerd maar wel opgemerkt dat het juiste gewicht niet van belang was. Maar van een werkgever, die op grond van art. 7:658 lid 2 BW door een werknemer wordt aangesproken, mag worden verwacht dat hij dit wel weerlegt en dat dit voor hem eenvoudiger is dan voor de werknemer. Zeker nu het deskundigenbericht uit is gegaan van ongeveer 150 kg, en de maximaal 200 kg uitsluitend is gebaseerd op een telefonische mededeling van de advocaat van de werkgever.

Het hof heeft ook geoordeeld dat bij het gezamenlijk met vier man tillen van de oven, elk van hen een gewicht van maximaal 50 kg moest opheffen. Maar het is een algemene ervaringsregel dat wanneer een bepaald gewicht door meer personen wordt getild, het van een (groot) aantal omstandigheden afhankelijk is welk gewicht door iedere persoon afzonderlijk wordt getild. Niet alleen is het mogelijk dat het zwaartepunt van de oven zich op een verschillende afstand van betrokkenen bevond, maar ook dat zij op verschillende momenten of met verschillende kracht zijn gaan tillen. Ook die klacht is daarom gegrond.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het gerechtshof en verwijst de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing.

Noot 1

De zaak spits zich toe of een werkgever zijn zorgplicht van art. 7:658 BW heeft geschonden doordat hij de werknemer opdracht geeft (of althans verzoekt) samen met drie anderen een oven van 200 kilo te tillen zonder de inzet van mechanische hulpmiddelen. De Hoge Raad stelt op de meeste fronten de werknemer in het gelijk. Centraal staat daarbij ook de discussie over wat nu wel of niet een aanvaardbaar tilgewicht zou zijn en wat nu het precieze gewicht van de oven was. De werknemer stelt, dat die zwaarder was dan de werkgever heeft opgegeven. De werkgever stelt dat het juiste gewicht geen belangrijke rol speelt. De Hoge Raad is echter van mening, dat het in zoín geval toch op de weg van de werkgever ligt om de juiste gegevens in te brengen. De Hoge Raad geeft daarmee aan, dat er geen sprake is van equality of arms: de werkgever heeft de mogelijkheid, de juiste informatie te verschaffen en zal dit dan ook moeten doen. De Hoge Raad verwerpt het beroep en verwijst de zaak voor afhandeling naar het gerechtshof den Haag.

Noot 2

In de media werd de uitspraak gebracht alsof de Hoge Raad zich had uitgesproken voor een tilnorm van maximaal 23 kilogram. Nu zal ik hier geen oordeel geven over het nut van een dergelijke tilnorm, maar de berichten waren toch iets te kort door de bocht. De Hoge Raad stelt in het arrest dat de werkgever bij het tillen van een last van 200 kilo wel degelijk een zorgplicht heeft om letsel te voorkomen. Maar de Raad geeft geen absolute norm. De Advocaat Generaal geeft in zijn advies wel enkele concrete tilnormen om aan te geven, hoe destijds werd gedacht over het tillen van zware voorwerpen. Een advies dat zeker richtinggevend genoemd kan worden!

(Hoge Raad, 17 april 2007, JAR 2007, 128; LJN AZ6717)