Een wespennest

Verzekering dekt de schade, zo luidt het gezegde. Maar dat is niet altijd het geval. Een schapenboer wil een wespennest uitroken maar daardoor brandt de schapenstal geheel af. De verzekeraar vindt dat er sprake is van merkelijk schuld. De rechter is het daar mee eens: de schapenhouder heeft met behulp van petroleum vuur gemaakt op nog geen meter van een aantal opgeslagen hooibalen. Hij heeft niet opgelet waar die petroleum terecht kwam en is weggegaan terwijl er nog rook uit het wespennest kwam. Hij heef ook nagelaten zich te vergewissen dat het vuur niet was overgeslagen naar het hooi en dat het vuur daadwerkelijk gedoofd was. Dat hij wel water in het wespennest heeft gegooid, doet daar niet af.

Wettelijk kader: artikel 294 Wetboek van Koophandel (Oud), artikel 7:952 Burgerlijk Wetboek; art. 157 lid 2 Rv.

De feiten

Een landbouwer in een West-Friese gemeente houdt schapen. In oktober 2003 gaat hij ’s middags naar zijn schapenstal om een wespennest uit te roken. Dat nest zit aan de achterkant van een schuur. Aan de andere kant van de muur is op ca 1 meter van de muur hooi opgeslagen. Het zijn balen van 20 kilogram per stuk opgestapeld tot een hoogte bijna 2 meter. Het wespennest bevindt zich op een hoogte van rond 1,70 meter. De schapenhouder vult de dop van een jerrycan met petroleum. Hij gooit de inhoud aan de buitenzijde van de stal in de opening van het wespennest, steekt een lucifer aan en gooit die al brandend in het wespennest. Het wespennest begint te roken en te branden. De schapenhouder laat de zaak even doorbranden. Volgens zijn zeggen 10 tot 20 seconden nadat het goed tot ontbranding is gekomen Als de rookontwikkeling voldoende is komen de wespen het nest uit. De man vindt het zo goed en gooit een emmer met water (circa 9 liter) die tevoren is klaargezet in drie keer in het gat om het vuur te doven. Als hij geen vuur meer ziet - het rookt nog wel - gaat hij weg om wat rond zijn huis te rommelen. Als hij een minuut of vijftien later terugkomt bij de schapenstal ziet hij in de schapenstal op de plek waar het wespennest zat rook en vuur. Hij probeert de brand te blussen maar dat mislukt: de stal brandt tot de grond toe af. Hij brandverzekeraar weigert de schade te voldoen.

Standpunt verzekeraar

De verzekeraar wil geen dekking verlenen omdat er sprake is van merkelijke schuld zoals bedoeld in artikel 294 Wetboek van Koophandel (K).

Standpunt schapenboer

De schapenboer vindt dat er geen sprake is van merkelijke schuld. Hij wil dat de verzekeraar aansprakelijk wordt gehouden om de door de brand geleden schade te vergoeden. Tevens wil hij dat de verzekeraar wordt veroordeeld in de proceskosten.

Oordeel rechtbank

Volgens de rechtbank is niet in geschil is dat de brand is ontstaan doordat een wespennest is uitgerookt. Het gaat vooral over het feitelijk verloop van de gebeurtenissen en de vraag of sprake is van merkelijke schuld van de schapenhouder zoal bedoeld in artikel 294 K. De rechtbank neemt als uitgangspunt de door de schapenhouder ondertekende verklaring van oktober 2003 van het door de schade-expert gegeven relaas over de brand. Die verklaring heeft volgens artikel 157 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dwingende bewijskracht. Van belang daarin is de verklaring van de schapenhouder dat hij nog heeft geprobeerd de brand te blussen, maar dat was niet gelukt. De schapenhouder heeft beargumenteerd dat die verklaring niet juist was maar is er volgens de rechtbank niet in geslaagd afdoende tegenbewijs te leveren.

 

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de verzekeraar op goede gronden uitkering van de verzekeringspenningen heeft geweigerd wegens merkelijke schuld. Met merkelijke schuld uit art. 294 K wordt een ernstige mate van schuld aangeduid. Bij lichtere graden van schuld blijft de verplichting tot uitkering van de (brand)verzekeraar in stand, omdat minder ernstige vormen van nalatigheid en onvoorzichtigheid nu juist zijn te rekenen tot de gevaren waartegen de verzekering dekking biedt. De vraag is dan welke mate van zorg de verzekeraar van een verzekerde mag verwachten. Daarbij is het uitgangspunt dat van de verzekerde mag worden verwacht, dat hij zich onthoudt van gedragingen waarvan hij weet of behoort te weten dat een aanmerkelijke kans bestaat dat deze tot schade zullen leiden. Van merkelijke schuld is sprake als het gaat om een gedraging die, al is de verzekerde zich daarvan niet bewust, naar objectieve maatstaven een zodanig aanmerkelijke kans op schade met zich brengt dat de verzekerde zich van dat gevaar bewust had moeten zijn. Als hij zich dan toch niet onthoudt van die gedraging schiet hij in ernstige mate tekort in zijn zorg ter voorkoming van schade.

 

Op deze gronden oordeelt de rechtbank dat er in dit geval sprake is van merkelijke schuld. Daarbij is doorslaggevend dat de schapenhouder met behulp van een zeer brandbare vloeistof (petroleum) vuur gemaakt heeft op een afstand van circa één meter van een aantal opgeslagen hooibalen. Hij had daarbij geen zicht waar die petroleum terecht is kwam en is weggelopen terwijl er nog rook uit het wespennest kwam. Verder heeft hij nagelaten zich in de schapenstal te vergewissen dat het vuur niet was overgeslagen naar het opgeslagen hooi en dat het vuur daadwerkelijk gedoofd was. Dat hij wel water in het wespennest heeft gegooid, doet hieraan niet af. De vordering wordt afgewezen.

Aantekening

De verzekeraar beroept zich op merkelijke als bedoeld in artikel 294 Wetboek van Koophandel. Dat artikel is sinds 1 januari 2006 vervangen door artikel 7:952 Burgerlijk Wetboek. Het geschil gaat echter over een verzekeringsovereenkomst die is afgesloten voor 1 januari 2006. Daarom wordt de zaak beoordeeld, gelet op het bepaalde in artikel 221 lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, aan de hand van de oude bepaling van het wetboek van Koophandel.

 

Onder de oude wetgeving was schade door eigen schuld (“merkelijke schuld”) van de verzekerde niet gedekt. Als verzekeraars bepaalde vormen van schuld wel wilden verzekeren moest in de voorwaarden worden aangegeven welke vormen van schuld wel en welke niet waren verzekerd. Dat betekende meestal dat “merkelijke schuld” van een verzekerde niet was gedekt. In de huidige wetgeving is de situatie omgedraaid. In artikel 7:952 BW is de lat hoger gelegd: de verzekeraar moet nu, als hij geen schade wil vergoeden, aantonen dat er sprake is van opzet of roekeloosheid van de verzekerde. Maar het artikel bevat geen dwingend recht. Dus als verzekeraars lichtere vormen van schuld willen uitsluiten kunnen ze dat in hun voorwaarden regelen.
 

(Rechtbank Alkmaar, 12 juli 2006, LJN AY3785)