Hoge Raad komt tot gedeelde aansprakelijkheid in asbestzaak.

Een productiemedewerker van een asbestverwerkend bedrijf is tussen 1964 tot 1979 op zijn werk blootgesteld aan asbeststof. In september 1997 werd bij hem longkanker vastgesteld. Hij is in januari 2000 aan deze ziekte, die niet is voorafgegaan door asbestose, overleden. De erven hebben in augustus van dat jaar een vordering tot schadevergoeding tegen de werkgever ingediend bij de kantonrechter. Zij stellen dat het slachtoffer in de uitoefening van zijn werkzaamheden langdurig en intensief is blootgesteld aan asbeststof en dat de longkanker waaraan hij is overleden, mede daardoor is veroorzaakt. Zij vinden dat de werkgever te weinig heeft gedaan om te voorkomen dat werknemers in aanraking zouden komen met asbeststof. De werkgever erkent dat sprake is geweest van enige blootstelling aan asbeststof maar bestrijdt dat de longkanker daardoor is veroorzaakt. Meer aannemelijk is immers dat de oorzaak van die ziekte ligt aan het feit dat de man ten minste 28 jaar heeft gerookt. De werkgever vindt dat hij niet is tekort geschoten in zijn zorgverplichting.

Oordeel kantonrechter en hof

De kantonrechter heeft een deskundigenonderzoek gelast, een deskundige benoemd en een aantal vragen geformuleerd. Volgens de deskundige zou medisch gezien niet kunnen worden vastgesteld of een bepaald geval van longkanker is veroorzaakt door asbest. Na dat deskundigenbericht heeft de kantonrechter de gevorderde verklaring voor recht toegewezen en de werkgever veroordeeld tot vergoeding van 55% van de geleden immateriŽle schade en eenzelfde percentage van de materiŽle schade als bedoeld in art. 6:107 en 6:108 BW. De werkgever gaat in beroep maar het gerechtshof in Arnhem bekrachtigt het vonnis. De werkgever tekent cassatie aan.

Oordeel Hoge Raad

In cassatie wordt de uitspraak ook door de Hoge Raad bevestigd. Vast staat dat de werkgever niet al die veiligheidsmaatregelen heeft getroffen die nodig waren met het oog op de toen bekende gevaren van asbest. Het is niet beslissend of de gevaren die destijds bekend waren of behoorden te zijn, zich hebben verwezenlijkt, maar of het verzuim van het treffen van de vereiste maatregelen ter voorkoming van die gevaren (asbestose), eveneens de kans op het gevaar dat zich wťl heeft verwezenlijkt (longkanker, zonder voorafgaande asbestose) in aanzienlijke mate heeft verhoogd. De werkgever is daarvoor dan ook aansprakelijk. De Hoge Raad spreekt daarbij uit, dat als een werknemer schade heeft geleden die zowel kan zijn veroorzaakt doordat zijn werkgever hem onvoldoende heeft beschermd tegen stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid, als door oorzaken die de werknemer zelf zijn aan te rekenen (zoals roken, genetische aanleg of andere oorzaken), de rechter de werkgever dan mag veroordelen tot vergoeding van een deel van de schade. Dus ook als niet met voldoende zekerheid is vast te stellen wat precies de oorzaak van een ziekte is dan kan de werkgever worden veroordeeld tot vergoeding van de gehele schade waarbij het aandeel dat de werknemer heeft in de oorzaak in mindering kan worden gebracht. De Hoge Raad aanvaardt hiermee dus de proportionele aansprakelijkheid.

Aantekening

Het gaat er in deze zaak om, dat de Hoge Raad een gedeelde aansprakelijkheid aanneemt. Daarbij wordt nagegaan voor welk percentage de blootstelling aan de gevaarzettende situatie tijdens het werk kan hebben bijgedragen aan de schade. En voor welk deel de werknemer zelf heeft bijgedragen aan (het ontstaan van) de schade. Dit is anders dan tot nu toe werd aangenomen. Immers bij de zorgverplichting werd uitgegaan van een alles of niets-principe: of de werkgever had niet aan zijn zorgplicht voldaan en moest dan de volledige schade dragen, of de werkgever moest aantonen dat er van de kant van de werknemer sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid in welk geval hij niet schadeplichtig was. Het lijkt er in dit arrest op, dat de Hoge Raad hoer ook kijkt naar omstandigheden die voor rekening en risico van de werknemer komen. Een benadering die we wel kennen bij toepassing van artikel 6:101 BW (schadeverdeling bij eigen schuld) maar tot nu toe niet werd toegepast bij de zorgplicht van art. 7:658 BW. Het lijkt erop dat het, zoals in deze zaak, niet langer voldoende om alleen te stellen dat de longkanker door de blootstelling aan asbest kan zijn ontstaan, waarna het aan de werkgever is om tegenbewijs te leveren. De Hoge Raad stelt thans kennelijk strengere eisen aan de stelplicht en de bewijslast van het causaal verband tussen de blootstelling en de gestelde schade.

(Hoge Raad, 31 maart 2006, LJN AU6092)