Waarschuwing voor gevaar machine niet voldoende.

Een werknemer raakt met zijn hand bekneld in een machine en verliest drie vingertopjes. De machine was voorzien van waarschuwingsstickers en een noodstopknop. De rechtbank heeft geoordeeld dat het voor werkgever niet voorzienbaar was dat de werknemer op die plaats met zijn hand in de machine kon komen. Dat de machine na het ongeval is voorzien van een extra veiligheidsstrip, maakt dit volgens de rechtbank niet anders. De schadevordering van de werknemer wordt afgewezen.

 

Maar de Hoge Raad oordeelt anders. Voor de aansprakelijkheid van een werkgever op grond van art. 7:658 BW geldt als uitgangspunt dat het artikel geen absolute waarborg schept voor de bescherming tegen gevaar. Wel moet de werkgever die maatregelen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer bij de uitoefening van zijn werk schade lijdt. Wat van de werkgever in redelijkheid mag worden verwacht, hangt af van de omstandigheden van het geval. Bij een gevaarlijke machine geldt dat het waarschuwen voor gevaren bij de bediening door het geven van mondelinge of schriftelijke instructies en het aanbrengen van waarschuwingsstickers niet altijd voldoende zal zijn. Rekening moet worden gehouden met het ervaringsfeit, dat door de dagelijkse omgang met een machine de bediener niet steeds alle voorzichtigheid in acht zal nemen die voor het voorkomen van ongelukken gewenst is, ook al wordt steeds op dat gevaar gewezen. De werkgever moet ook onderzoeken of afdoende preventieve maatregelen mogelijk zijn en of een veiliger werking van de machine mogelijk is. Als dat niet het geval is, moet hij nagaan of op voldoende effectieve wijze voor het gevaar kan worden gewaarschuwd. Daarbij is het van belang hoe waarschijnlijk het is dat er niet voldoende voorzichtig wordt gewerkt, hoe groot de kans is dat daardoor ongevallen ontstaan, de ernst van de gevolgen en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. Als geen extra maatregelen mogelijk zijn en het alleen blijft bij een waarschuwing tegen het potentiŽle gevaar, dan is het in het algemeen niet voldoende dat de gebruiker van een machine op de hoogte kan zijn van het gevaar. Van doorslaggevende betekenis is daarbij, of er werkelijk te verwachten is, dat door die waarschuwing ook veiliger zal worden gewerkt. Als effectievere maatregelen ter voorkoming van een ongeval als dit mogelijk waren, dan moet worden onderzocht waarom het aanbrengen van die voorziening eerder niet zijn genomen.

 

Naast de hierboven genoemde factoren is dan ook van belang in hoeverre het treffen van zoín veiligheidsmaatregel voordat een ongeval plaatsvindt voor de werkgever voor de hand lag. Of de werkgever heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, hangt mede af van het feit of hij de specifieke gedragingen die tot het ongeval hebben geleid, met inbegrip van het hiervoor genoemde ervaringsfeit, redelijkerwijs heeft moeten voorzien. Dat is niet van doorslaggevende betekenis, omdat onoplettendheid bij het bedienen van een gevaarlijke machine vaak op verschillende wijzen tot een ongeval kan leiden. Voor aansprakelijkheid van een werkgever is niet vereist dat hij juist die gedraging heeft (kunnen) voorzien die tot het ongeval heeft geleid. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug naar de rechtbank ter afdoening. (HR 11 november 2005, JAR 2005, 287)

Aantekening

Uitgangspunt voor de aansprakelijkheid van een werkgever is dat hij die maatregelen neemt die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat een werknemer bij de uitoefening van zijn werk schade lijdt. Als de werkgever in deze zorgplicht tekortschiet dan is hij aansprakelijk voor de schade die een werknemer lijdt bij het uitoefenen  van zijn werk. De werkgever is niet aansprakelijk als hij kan aantonen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen of als hij aantoont dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekloosheid van de werknemer. Let wel: de bewijslast rust op de werkgever

 

De zorgplicht heeft niet alleen betrekking op de bedrijfsruimtes waarin de werknemer werkzaam is maar geldt ook voor de machines waarmee hij werkt. Daarbij neemt de Hoge Raad in zijn oordeel mee dat het een ervaringsfeit is dat door de dagelijkse omgang met machines, de gebruiker van deze machine niet meer alle voorzichtigheid in acht zal nemen die gewenst is bij het voorkomen van ongevallen. Het eigen schuld dikke bult gaat dus niet op: van de werkgever wordt verwacht dat goed in de gaten houden dat de werknemer bewust is en blijft van bepaalde gevaren. De werkgever moet dus regelmatig op het gevaar wijzen. Maar hij moet ook die maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer tijdens zijn werk schade oploopt. Dat kan inhouden dat de werkgever regelmatig onderzoekt of de genomen preventieve maatregelen ook werkelijk afdoende zijn. Maar ook of er op andere wijze wellicht veiliger kan worden gewerkt en, als dat niet mogelijk is, of op voldoende wijze voor het gevaar kan worden gewaarschuwd. Doet hij dat niet dan vergoot hij de kans op het schenden van zijn zorgplicht.

Bron krijgt: HR 11 november 2005, JAR 2005, 287