Schadeverhaal in het woon-werkverkeer

Onduidelijkheid over vergoeding van de schade

Bron

Auteur

Datum

:

:

:

Arbo 06

Rob Poort

2017

Er blijkt nogal wat onduidelijkheid te bestaan over vergoeding van de schade die is veroorzaakt door deelname aan het verkeer tijdens het werk. De wettelijke zorgplicht van de werkgever geldt immers voor de arbeidsplaats. En bij het woon-werkverkeer is daar geen sprake van. Hoewel de rechter daar in sommige gevallen toch wat genuanceerder over denkt.

mr. ing. R.O.B. Poort

Inleiding

 

Een werknemer, die slachtoffer is geworden van een arbeidsongeval kan proberen zijn schade te verhalen bij de werkgever. Dat gebeurt doorgaans op grond van artikel 7:658 BW, het zogenaamde zorgplichtartikel. Volgens het eerste lid van dit artikel is de werkgever verplicht om lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee gewerkt wordt, zo in te richten en te onderhouden dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geen schade ondervindt. Bovendien moet de werkgever in dit verband ook de nodige maatregelen treffen en aanwijzingen geven voor zover redelijkerwijs noodzakelijk is. Als de werknemer schade claimt en aannemelijk heeft gemaakt, dat die schade is geleden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, dan is het op grond van het tweede lid van artikel 7:658 BW aan de werkgever, om te bewijzen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Dus aantoont, dat hij heeft voldaan aan de vereisten die zijn vermeld in het eerste lid van dit artikel. Dat kan hij onder meer doen aan de hand van de bepalingen uit de Arbowetgeving. Over dit onderwerp staan ook in vakblad Arbo regelmatig uitspraken, waaruit blijkt, dat de zorgplicht van de werkgever veelomvattend is. Maar dat is op zichzelf ook wel logisch: de werkgever heeft immers zeggenschap over de werkplek van de werknemer en is ook degene, die aanwijzingen kan (en zelfs moet) geven over de wijze waarop die werkzaamheden moeten worden uitgevoerd.

 

Woon-werkverkeer

 

Voor schade in het verkeer geldt doorgaans dat woon-werkverkeer niet hoort tot de werkzaamheden die in dienstverband worden verricht. Daarom valt de als gevolg van het woon- werkverkeer geleden schade in het algemeen niet onder de zorgplicht van artikel 7:658 BW: de werkgever heeft immers geen enkele zeggenschap over (de inrichting van) de openbare weg. De werkgever was dan ook niet aansprakelijk voor de schade van een werkneemster die op weg naar haar werk uitglijdt op een openbaar fietspad waar ondanks de gladheid niet gestrooid is (1).

 

Deelname van een werknemer aan het verkeer valt normaal gesproken buiten het kader van de zorgplicht van de werkgever. Maar dat betekent niet, dat de werknemer die schade lijdt bij een werk gerelateerd ongeval en zijn schade om een of andere reden niet vergoed krijgt, daar zelf voor op moet draaien. Volgens de Hoge Raad moet de werkgever de schade vergoeden aan zaken van de werknemer die deze heeft gebruikt bij de uitoefening van de hem opgedragen werkzaamheden, ook als dit buiten de normale werkplek gebeurt. Dat blijkt uit de zaak van werknemer Schuitmaker, die in opdracht van werkgever Bruinsma met zijn eigen auto een pakje weg moet brengen. Hij krijgt door eigen toedoen een aanrijding. De auto wordt total loss verklaard en de schade wordt op grond van de dagwaarde slecht gedeeltelijk vergoed. Ondanks een maandelijkse vergoeding voor het gebruik van zijn auto voor dergelijke ritjes, vordert Schuitmaker de rest van de schade van zijn werkgever. De Hoge Raad oordeelt dat de werkgever in beginsel de schade die aan de eigendommen van de werknemer zijn toegebracht zal moeten dragen, behalve als sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de kant van de werknemer (2). Dat laatste was hier niet het geval: eigen schuld (aan de aanrijding) is nog geen opzet of bewuste roekloosheid. Sterker nog: volgens de Hoge Raad zal de werkgever er rekening mee dienen te houden, dat bij de dagelijkse deelname aan het verkeerd niet steeds de vereiste voorzichtigheid in acht zal worden genomen. De doorsnee automobilist zal dit zeker kunnen beamen! 

 

Woon-werkverkeer
 

Naast vergoeding van de zogenaamde zaakschade kan de werkgever onder bepaalde omstandigheden ook aansprakelijk zijn voor letselschade veroorzaakt in het verkeer. Werknemer Van der Hoeven is voor Vonk montagebouw bezig met werkzaamheden elders in het land. Voor het vervoer heeft Vonk een bestelbusje beschikbaar gesteld dat bij toerbeurt door de werknemers wordt bestuurd. Van der Hoeven maakt een stuurfout waardoor het busje over de kop slaat. Alle inzittenden lopen letsel op en krijgen hun schade vergoed. Maar de schade van de bestuurder valt niet onder de WAM-verzekering van het busje. Van der Hoeven stelt Vonk aansprakelijk. De Hoge Raad acht de werkgever aansprakelijk omdat het in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is, dat Van der Hoeven, vanwege het toevallige feit dat hij op dat moment bestuurder was, als enige van de inzittenden geen schadevergoeding zou ontvangen. De werkgever kan onder omstandigheden aansprakelijk zijn, ook al is niet voldaan aan de vereisten van art. 7:658 BW (3).

 

Een vergelijkbare situatie geeft de navolgende zaak, waarbij een betontimmerman dagelijks met drie collega’s naar de werkplek rijdt. Maar nu in zijn eigen auto. Op basis van de CAO ontvangt hij reisurenvergoeding, autokostenvergoeding en meerijders¬toeslag. Op een dag veroorzaakt hij een aanrijding waardoor hijzelf en de collega’s gewond raken. De WAM-verzekeraar vergoedt de schade van de collega’s, maar zijn eigen schade krijgt de timmerman niet vergoed. Hij spreekt daarvoor zijn werkgever aan. De Hoge Raad overweegt dat artikel 7:658 BW een zorgplicht schept voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer en de door deze te gebruiken werktuigen. Die zorgplicht houdt nauw verband met de zeggenschap van de werkgever over de werkplek en zijn bevoegdheid de werknemer aanwijzingen te geven over de (wijze van) uitoefening van diens werkzaamheden. Het vereiste dat de schade is geleden ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’ moet ruim worden uitgelegd. In dit geval vond het vervoer plaats krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden. Daaruit vloeit voort, dat de werkgever in beginsel de niet door een verzekering gedekte schade van de werknemer moet vergoeden. Dit is alleen anders, als er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Maar dat is niet gebleken (4).

 

Ook later heeft de Hoge Raad nog eens bevestigd, dat onder bepaalde omstandigheden de werkgever aansprakelijk kan zijn voor de gevolgen van een ongeval tijdens het woon-werkverkeer. In dit geval betrof het de chauffeur van een autoambulance. Die krijgt een ernstig ongeval als hij daarmee van huis naar het dagelijkse werk rijdt. De Hoge Raad stelt voorop, dat een werkgever in beginsel niet aansprakelijk is als een werknemer door een verkeersongeval tijdens woon-werkverkeer schade lijdt. Maar dat kan anders zijn als dit vervoer gebeurt in het kader van de werkzaamheden. Daarvoor is mede van belang, dat de werkgever zich moet gedragen als ‘goed werkgever’ (art. 7:611 BW) en zorgt voor een behoorlijke verzekering van de werknemer die door zijn werk als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raakt bij een verkeersongeval. Als de werkgever daarin tekort schiet dan is hij voor de schade van zijn werknemer aansprakelijk. In dit geval had de werknemer de ambulance mee omdat hij fungeerde als nooddienstmedewerker. Hij moest dan dag en nacht telefonisch bereikbaar zijn en bij een noodoproep zo snel mogelijk naar de plaats van inzet rijden. Om tijd te besparen werd de ambulance mee naar huis genomen. De werknemer maakte rechtmatig gebruik van de ambulance. Het stond hem vrij om deze (verplichte) nooddienst zo in te richten dat hij altijd direct over de autoambulance kon beschikken. Daarmee kan in redelijkheid geen onderscheid worden gemaakt tussen een rit naar een gestrande auto of de rit die de werknemer die ochtend maakte naar het werk, waarbij tijdens die rit bovendien een kans bestond op een oproep (5).

 

Conclusie

Een werkgever is in beginsel niet aansprakelijk voor schade van een werknemer door een verkeersongeval tijdens woon-werkverkeer. Maar dat kan anders zijn als dit vervoer gebeurt in het kader van de werkzaamheden. Dan kan de werkgever onder omstandigheden wel aansprakelijk zijn voor de niet door de verzekering gedekte schade, ook al is aan de vereisten van art. 7:658 BW niet voldaan. Daarvan is bijvoorbeeld sprake tijdens de reis van het bedrijf naar de werkplek (of andersom).  

[1] HR 16 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5483 (Quant/Volkshogeschool Bergen).
[2] HR 16 oktober 1992, NJ 1993/264, (Bruinsma Tapijt/Schuitmaker).
[3] HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9434 (Vonk/van der Hoeven).
[4] HR 9 augustus 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2113 (De Bont/Oudenallen).
[5] HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG7775 (Autoster Bergen/ Hendriks).