Werken op hoogte

Bij het werken op hoogte gaat het nog erg vaak mis

Bron

Auteur

:

:

Arbo 6-2016

Rob Poort

 

Bij het werken op hoogte gaat het nog erg vaak mis. Vallen is immers een van de meest voorkomende oorzaken van ongevallen. Een schets van ongevallen door het werken op hoogte en hun juridische gevolgen.

Inleiding

In nummer 4 van Arbo jaargang  2014 is al eerder aandacht besteed aan het valgevaar. Toen meer specifiek over de valhoogte. In dit artikel besteden we aandacht aan de verschillende manieren waarop soms op hoogte wordt gewerkt en de juridische gevolgen die mogelijk zijn als het fout afloopt. En er dus kennelijk valgevaar aanwezig was.

Het huishoudtrapje

We beginnen met de wel zeer huiselijke wijze van vallen: namelijk van een huishoudtrapje. Wellicht in de privésfeer een van de meest voorkomende oorzaken van ongevallen. Maar ook in de dagelijkse werkpraktijk kan vallen van een trapje tijdens werkzaamheden een belangrijke ongevalsoorzaak zijn. Denk aan de zorgverleners, de huishoudelijke hulp of de mantelzorger. Of aan de werkneemster in een restaurant. Die valt bij het zemen van de ramen van een instabiel huishuidtrapje. Zij valt op een tafel, breekt zes ribben en krijgt ook nog een klaplong. Twee jaar later is zij nog steeds arbeidsongeschikt en wil vergoeding van haar schade op grond van de zorgplicht van de werkgever (art. 7:658 BW). De werkgever voert aan, dat het trapje niet gebruikt mocht worden maar dat voor het zemen een uitschuifbare stok moest worden gebruikt. De werkgever heeft een (verregaande) zorgplicht en had volgens het gerechtshof maatregelen moeten nemen, zeker nu hij zelf van mening was, dat er sprake was van een (potentieel) gevaarlijke situatie. Hij had herhaaldelijk gezegd, dat geen trap mocht worden gebruikt maar heeft daar nooit op toegezien. De civiele claim wordt toegewezen (1) .

 De rolsteiger

Meer algemeen in de wereld van de veiligheid en de arbeidsomstandigheden zijn natuurlijk de ongevallen die plaatsvinden bij het werken op hoogte, zoals op een (rol)steiger. Wij beperken ons hier tot de bestuursrechtelijke afdoening. Daarvan zijn vele voorbeelden te vinden die uitliepen op een boete wegens overtreding van de arbowetgeving.

 

Zo de zaak die vorig jaar bij de Raad van State werd behandeld. Een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW ziet een rolsteiger tegen een gevel staan waarop twee mannen schilderwerk uitvoeren. De bovenste werkvloer, op 3,5 à 4 m, is voorzien van één leuning op ongeveer 1 meter boven de werkvloer. Omdat een tussenleuning ontbreekt is sprake van overtreding van artikel 3.16 eerste lid Arbobesluit: het valgevaar is niet tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. De minister van SZW legt een boete op van € 18.000. In beroep bij de rechtbank kan de werkgever aantonen, dat hij een veilige werkwijze had ontwikkeld voor het werken met een rolsteiger en dat de betrokken werknemer voldoende instructie had gekregen. Helaas werd het dagelijkse toezicht daarop wat minder goed uitgevoerd. De bestuurlijke boete wordt teruggebracht tot € 6000,-, nog steeds een fiks bedrag (2).

Vloeropeningen

Het gat in de steiger deed me denken aan de aloude veiligheidsregel, dat vloeropeningen moeten worden dichtgelegd. Ooit was er een werknemer door een sparing in een dak gevallen en de spitse advocaat van de werkgever voerde aan, dat een dak geen vloer is en deze rechtsregel in dit geval dus niet opging. De rechter maakte daar korte metten mee en stelde vast, dat er op het dak gewerkt werd. En concludeerde vervolgens dat een dak dus soms ook als (werk)vloer gebruikt kan worden. En dat derhalve de vloeropeningen daarin moeten worden dichtgelegd. En zo was de cirkel weer rond. Dat ondervond ook de werkgever wiens werknemer bij het verplaatsen van een rolsteiger(!) door een gat in de vloer zo’n 4,5 meter naar beneden viel en ernstig gewond raakte. De vloeropening was min of meer afgedicht met steigerplanken maar die waren niet vastgelegd en verschoven. De Raad van State concludeert in hoger beroep dat de werkgever de risico's van de werkzaamheden onvoldoende heeft geïnventariseerd en niet de nodige preventieve maatregelen heeft genomen. Dat er twaalf keer per jaar een toolboxmeeting werd gehouden en het bedrijf ISO- en VCA-gecertificeerd is, maakte dat niet anders. De boete van € 9000,- wegens overtreding van artikel 3.16 Arbobesluit bleef daarmee in stand. Op het project waren meerder bedrijven werkzaam, maar de werkgever blijft zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn eigen werknemers (3).

Schaarhoogwerker

Voor het werken op hoogte worden ook vaak andere hulpmiddelen gebruikt, zoals hoogwerkers. Ook dan is het soms oppassen geblazen, zo leren onderstaande zaken die beiden langs strafrechtelijke weg  werden afgedaan.

 

Twee externe monteurs verrichten met een schaarhoogwerker op 6 meter hoogte onderhoud aan een heater in de reparatiehal van een opdrachtgever. De schaarhoogwerker - beschikbaar gesteld door de opdrachtgever - staat in de loop van een kraanbaan. Een medewerker van het bedrijf zet met de afstandsbediening de kraan in beweging. Hij heeft geen goed zicht en er volgt een botsing. De hoogwerker valt om, de monteurs vallen op de betonnen vloer. Een van hen overlijdt, de ander raakt ernstig gewond. Het openbaar ministerie vervolgt de opdrachtgever. Volgens de rechtbank heeft een werkgever een grote verantwoordelijkheid voor de veiligheid van zijn werknemers, en die van derden. Dat betekent doeltreffende voorlichting over de risico’s en treffen van beperkende maatregelen. De eigen werknemers wisten, dat er derden aan het werk waren, maar niet precies waar en wanneer. Er was door de bedrijfsleider wel opdracht gegeven maar er waren geen specifieke werkafspraken gemaakt. Ook het toezicht op de uitvoering van het onderhoudswerk ontbrak. Daarmee heeft de werkgever verzuimd doeltreffende maatregelen te nemen om te voorkomen dat de schaarhoogwerker en de bovenloopkraan met elkaar in botsing zouden komen. Er volgt een boete van € 6000,- . (4)

 

In bovenstaand geval ging het nog om een arbeidsmiddel, dat in principe geschikt is voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Heel anders wordt het, als dergelijke werkzaamheden worden verricht met oneigenlijke middelen: dat kan extra risico’s met zich meebrengen en is vragen om ongelukken. En dat is niet alleen voorbehouden aan werknemers. Een directeur besluit de ramen in de roldeuren van een loods te wassen. Die zitten op zo’n 2,5 meter hoogte. Er wordt een werkbak op de lepels van een heftruck gezet en vastgezet met spanbanden. De “schoonmaker” voert al jaren klusjes uit voor de directeur en heeft de geleende heftruck klaargezet. De directeur fungeert als heftruckchauffeur. Bij het werk kantelt de werkbak, de klusjesman valt eruit, krijgt de werkbak op zijn hoofd en overlijdt ter plaatse. De werkgever wordt vervolgd wegens dood door schuld (art. 307 Wetboek van strafrecht).. Volgens de rechtbank is de werkgever aanmerkelijk onvoorzichtig geweest en tekortgeschoten in zijn zorgplicht. De heftruck met de werkbak was niet geschikt voor personenvervoer. De werkgever had geen certificaat voor het bedienen van een heftruck en heeft nagelaten de borging van de werkbak te controleren. Daarmee is sprake van aanmerkelijke schuld van de werkgever en is dood door schuld bewezen (5)

De moraal?

Uit deze voorbeelden volgt dat bij het werken op hoogte niet alleen het bestuursrecht – een boete van de minister van SZW - een rol kan spelen. Ook het strafrecht kan worden ingezet, zeker als sprake is van een ongeval met een of meer doden als gevolg. En tenslotte kan ook een civielrechtelijke procedure worden gestart door de werknemer die door het ongeval schade heeft opgelopen. Zeker nu de voorzieningen bij arbeidsongeschiktheid (netjes gezegd) onder druk staan. De moraal? Zorg dat het werken op hoogte veilig gebeurt, inventariseer vooraf de risico’s, tref de noodzakelijke maatregelen en geef daarvoor de nodige voorlichting en hou regelmatig toezicht. Hoe regelmatig dat moet zijn is niet eenduidig vast te stellen maar zal mede afhankelijk zijn van de geconstateerde risico’s.

[1] Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 april 2011, LJN: BQ1285
[2] Raad van State, afd. Bestuursrechtspraak, 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2136
[3] Raad van State, afd. Bestuursrechtspraak, 13 maart 2013. LJN: BZ4006
[4] Rechtbank Overijssel, 24 april 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:2193
[5] Rechtbank Breda, 14 februari 2006, LJN: AV1837