Vallen van hoogte

De juridische kant van valincidenten

Bron

Auteur

Datum

:

:

:

Arbo 6

Rob Poort

juni 2015

Vallen van hoogte is het thema van dit nummer van Arbo. Interessant, omdat vallen van hoogte nog steeds een belangrijke oorzaak is van ongevallen op het werk. Onderstaand een bloemlezing van dergelijke incidenten met als gevolg een (bestuurlijke) boete wegens overtreding van de Arbowetgeving.

 Inleiding

Jaarlijks vinden gemiddeld 6.300 SEH-behandelingen (Spoedeisende Eerste Hulp) plaats in verband met een val van hoogte tijdens het werk. Van de slachtoffers is 1 op de 5 dusdanig gewond dat ziekenhuisopname noodzakelijk is. Elk jaar overlijden zo’n 18 personen door een val van hoogte tijdens het werk. Voor meer details verwijzen we naar artikelen elders in dit blad.

 

De meeste letsels zijn het gevolg van de val van een vaste trap, een ladder, een steiger of het vallen van een vrachtauto, kar of laadklep. Het gaat met name om ongevallen in de bouw (29%) en de bedrijfstak 'vervoer, post en communicatie' (12%). De verwondingen betreffen meestal fracturen en bij ziekenhuisopname is vaak sprake van ernstig letsel (1).

 

In deze bijdrage gaan we eerst in op het wettelijk kader en daarna zoomen we in op enkele rechterlijke uitspraken. We volgen daarbij de arbeidshygiënische strategie en kijken eerst naar de collectieve beveiliging en gaan daarna in op de persoonlijke valbeveiliging.

Wettelijke kader

De wetgever is helder: die stelt in artikel 3.16 Arbobesluit dat werkgevers verplicht zijn om maatregelen te nemen als er valgevaar bestaat. Dat is het geval bij risicoverhogende omstandigheden, openingen in vloeren of als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen. Het begrip risicoverhogende omstandigheden moet echter ruim worden uitgelegd en daarvan kan ook sprake zijn als de hoogte (veel) minder dan 2,5 meter bedraagt (2) (zie mijn bijdrage in Arbo 2014, nr. 4). Daarnaast blijkt vaak, dat de middelen om het valgevaar tegen te gaan niet of onjuist zijn gebruikt. Of dat te snel is gegrepen naar het voorschrijven van persoonlijke beschermingsmiddelen terwijl collectieve bescherming voorrang heeft. De werknemer is op grond van art. 8.3 Arbobesluit overigens wel verplicht om de voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen te gebruiken. Maar als de werkgever niet de juiste arbeidshygiënische strategie heeft gevolgd bij de keuze van de bescherming tegen het vallen van hoogte zal het niet of onjuist gebruik van de valbeveiliging de werknemer niet snel worden aangerekend. Dat komt mede door het systeem van de Arbowetgeving die zich immers primair richt tot de werkgever.

Collectieve beveiliging

Op grond van de arbeidshygiënische strategie (art. 1, eerste lid onder b van de Arbowet) gaan Collectieve maatregelen vóór individuele maatregelen (zie ook de bijdrage van Hester van Yperen en Adri Frijters in dit nummer). Zo ook bij de valbeveiliging. Als na een stormschade enkele dakplaten moeten worden vervangen valt een werknemer ruim 8,5 meter naar beneden door een lichtdoorlatende plaat en overlijdt. Het dakdekkersbedrijf vindt, dat artikel 3.16 Arbobesluit de keuze laat tussen een collectieve mogelijkheid (vangnetten) of een individuele beveiliging (een gordel met vanglijn). Het ging om een spoedklus en de werknemers waren erop gewezen een valgordel te dragen. Volgens de rechter maakt het artikel echter duidelijk, dat collectieve bescherming voorrang heeft boven individuele. Ook in de Toelichting staat dat een werkgever, alvorens hij (persoonlijk beschermende) veiligheidsgordels met vanglijnen aanbrengt, eerst moet nagaan of een voorziening kan worden getroffen die collectieve bescherming geeft. De werkgever heeft er zelf voor gekozen het werk op korte termijn uit te voeren waardoor het aanbrengen van de juiste voorzieningen in de knel kwam. Dat is geen overmacht maar negeren van een wettelijk voorschrift. Ook de offerte wekt de indruk dat het nooit de bedoeling is geweest om met vangnetten te werken (3).

 

De rechtbank is in deze zaak helder: collectieve beveiliging geniet de voorkeur en mag niet worden genegeerd omwille van haast of andere (oneigenlijke?) argumenten  

Beveiliging onvoldoende gecoördineerd

Maar soms is de beveiliging wel in orde maar gaat het tijdens de uitvoering van het werk zelf mis. dat was het geval bij een werknemer van een onderaannemer op een groot project waar meerdere aannemers tegelijk bezig waren. Op zeker moment was een deel van het veiligheidsnet verwijderd. Dit was niet bekend bij de werknemer die op het dak van de bedrijfshal moest zijn. Hij valt - ook nu weer - door een lichtplaat zeven meter omlaag en overlijdt aan de gevolgen. Ten aanzien van de schuldvraag worden hoofdaannemer en coördinator uitvoeringsfase beiden veroordeeld. Of de coördinator op de hoogte was van het verwijderen kan niet worden vastgesteld. Maar hij had wel tot taak de werkzaamheden op elkaar af te stemmen en de veiligheidsmaatregelen te waarborgen. Daarbij wordt een actieve rol van hem verwacht en dat heeft hij nagelaten. Zowel hoofdaannemer als de coördinator uitvoering worden veroordeeld wegens dood door schuld (4).

 

Wellicht hebben bij het weghalen van een deel van de vangnetten de kosten (van de huur van deze netten) een rol gespeeld. Maar de les hieruit is wel dat dergelijke collectieve middelen pas mogen worden weggehaald als de werkzaamheden ook werkelijk ten einde zijn. Anders volgt terecht alsnog een sanctie. 

Persoonlijke valbeveiliging.

Als collectieve middelen om een of andere reden niet toepasbaar zijn, zal in het kader van de valbeveiliging moeten worden teruggegrepen naar de persoonlijke valbeveiliging. Maar ook dan gaat het niet altijd goed. De werkgever moet ook nagaan, of de lijn waaraan de persoonlijke valbeveiliging is bevestigd ook op een adequate manier kan worden vastgemaakt. En dat was niet het geval toen een  werknemer niet draagkrachtige asbesthouden platen van een oud fabrieksgebouw moest verwijderen. De werkgever had persoonlijker valbeveiliging voorgeschreven maar de lijn was vastgemaakt aan een rotte balk die afbrak toen de werknemer naar beneden viel. De werkgever wordt beboet omdat het valstopapparaat niet doelmatig was bevestigd. Om te kunnen beoordelen of een dergelijke valbeveiliging veilig is moet ook worden gekeken of de voorziening veilig is vastgemaakt (5).

 

Dit lijkt een open deur, maar komt in de praktijk helaas maar al te vaak voor. Daarom is de - terechte - trend van de laatste jaren zowel in de bouwwereld als de dakbedekkersbranche om zoveel mogelijk gebruik te maken van collectieve valbeschermingsmiddelen. 

VGM plannen

Niet alleen de middelen moet in orde zijn: ook de plannen moeten eenduidig zijn en geen ruimte laten voor een mogelijk onjuiste interpretatie.

Twee werknemers van een asbestsaneerder zakken door een golfplaten dak. Een van hen loopt een dwarslaesie op, de ander raakt licht gewond. Het OM vervolgt de saneerder omdat (kortweg) gebruik is gemaakt van een standaardwerkplan dat niet was toegesneden op dit werk, terwijl de werkgever wist of had kunnen weten, dat  levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers kon ontstaan of te verwachten was (art. 32 Arbowet). De politierechter stelt vast, dat in het werkplan niet stond niet hoe de platen verwijderd moesten worden. Veiligheidsnetten ontbraken en er was over de lengte van het dak alleen een provisorische lijn gespannen. Volgens de rechter had in het VGM-plan moeten staan, welke veiligheidsmaatregelen concreet genomen hadden moeten worden, en dat gewerkt zou moeten worden met rolsteigers, vanglijnen en/of dakladders (art. 4.50 Arbobesluit). Door dit na te laten zijn misverstanden over de passende veiligheidsmaatregelen ontstaan. De BV krijgt een boete van 10.000 Euro, waarvan de helft voorwaardelijk (6)

Toezicht

Soms zijn de plannen wel in orde maar is het juiste toezicht op de navolging van de voorschriften onvoldoende geregeld. En ook dat kan aanleiding zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete, zo blijkt uit de navolgende zaak.

 

Op een project zijn drie (ingeleende) Duitse werknemers bezig met het aanbrengen van gipsplaten op een staalskeletwand in een vide. Die is 6 bij 4 meter en bevindt zich op de eerste verdieping, op zo’n vijf meter hoogte. Ze gebruiken een rolsteiger die op de begane grond staat. De vloeropening is afgezet met houten leuningen maar bij de rolsteiger door de werknemers deels verwijderd. Tijdens het werk valt een van hen door dit open gedeelte en overlijdt aan zijn verwondingen. De inlenende werkgever wordt door het OM vervolgd. Volgens de rechtbank was er een VGM plan, geaccordeerd door de hoofdaannemer. Ook de voorlichting was in orde. De leuningen waren voldoende om het valgevaar tegen te gaan en afsluiten van de vide of het aanlijnen van de werknemers was geen optie, omdat dit tot extra gevaar bij de uitvoering van het werk had kunnen leiden. Maar de rechtbank acht bewezen dat er onvoldoende toezicht is gehouden. De projectleider was van mening dat de veiligheidsvoorzieningen zo goed waren dat hij geen toegevoegde waarde zag in het uitvoeren van een werkplekinspectie. Het toezicht werd overgelaten aan de uitvoerder. Die heeft verklaard dat de Duitsers zelfstandig konden werken en geen controle nodig hadden. Door het ontbreken van toezicht is een onveilige arbeidssituatie voor de (ingeleende) werknemers ontstaan met een dodelijk ongeval als gevolg. De rechtbank legt een geldboete op van 20.000 Euro wegens overtreding artikel 32 van de Arbowet 1998, begaan door een rechtspersoon (7).

Derden

Maar bij het werken op hoogte is het ook denkbaar, dat anderen die daar niet werken ongewild betrokken worden bij een arbeidsongeval of daar zelf slachtoffer van worden. Zo leert de laatste zaak in dit overzicht. Het gaat om een monteur van een (onder)aannemer die bij een petrochemisch bedrijf op 13 m hoogte op een steiger bezig is met het verwijderen van een vastzittende bout. Hij zaagt de bout eerst grotendeels door en slaat dan met een hamer op een beitel in de zaagsnede om de bout geheel te splijten. Door de slag schiet de bout van ca. 1,5 kilogram los, valt naar beneden en treft een werknemer van een ander bedrijf. Die wordt met ernstig letsel in het ziekenhuis opgenomen. De werkgever van de monteur krijgt wegens overtreding van art. 10 Arbowet (zorg voor derden) een boete van € 27.000. De werkgever vindt dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld, omdat coördinatie van de werkzaamheden niet zijn taak was. Er was afgesproken dat de anderen pas na de lunch zouden beginnen en hij hoefde er geen rekening mee te houden dat dit eerder is gebeurd. Maar volgens de Raad van State heeft de werkgever geen aanvullende maatregelen genomen om het gevaar voor de veiligheid en gezondheid van derden te voorkomen (8).

 

Opmerkelijk is, dat de Raad uitspreekt, dat het niet van belang is of de andere partijen zich nu wel of niet aan het V&G plan hebben gehouden:  De werkgever blijft zélf verantwoordelijk om doeltreffende maatregelen te nemen om het gevaar voor derden te voorkomen  

Conclusie

Het is goed mogelijk het valgevaar bij het werken op hoogte en met name de vaak ernstige ongevallen die daarvan het gevolg kunnen zijn aanzienlijk terug te brengen. Daarbij is van belang, dat men niet te licht denkt over de risico’s en de daaraan verbonden gevolgen. Neem dergelijke werkzaamheden en de nodige beveiliging serieus. Dat geldt ook voor de uitvoerenden: je hebt vaak maar één kans. Kortom: Bezint eer ge begint! 

[1]  Bron: Veiligheid.nl, Arbeidsongevallen tijdens werken op hoogte
[2]  Zie bijvoorbeeld Raad van State, 29 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR8353
[3]  Rechtbank Almelo, 23 juli 2007, ECLI:NL:RBALM:2007:BB0112 & idem BB0116
[4]  Rechtbank Den Haag, 10 februari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:1282 & idem 1289
[5]  Raad van State, 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9911
[6]  Rechtbank Zutphen, 13 december 2010, ECLI:NL:RBZUT:2010:BO7141
[7]  Rechtbank ’s-Hertogenbosch, 9 juni 2009, ECLI:NL:RBSHE:2009:BI6811
[8]  Raad van State, afd. Bestuursrechtspraak, 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:745