Valhoogte nader bekeken

Waar liggen de veiligheidsgrenzen

Bron

Auteur

Datum

:

:

:

Arbo 04

Rob Poort

apr. 2014

 

Er is geen veiligheidsgrens te geven voor valhoogte zo stelde de Gezondheidsraad vast na onderzoek op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De onderzoekscommissie keek naar de wetenschappelijke gegevens over de gevolgen van vallen van hoogten (1). Uit de rechtspraak blijkt, dat bij het beoordelen van het valrisico niet zozeer de hoogte maar vooral de risicoverzwarende omstandigheden een belangrijke rol spelen.

 

Feiten

 

In Nederland overlijden jaarlijks 18 werknemers na een val van hoogte tijdens het werk en worden er 1.230 opgenomen in het ziekenhuis. Velen van hen hebben blijvend letsel. Behalve persoonlijk leed kan vallen van hoogte hoge maatschappelijke kosten veroorzaken door ziekteverzuim, revalidatie en arbeidsongeschiktheid. Op basis van artikel 3.16 Arbobesluit zijn werkgevers verplicht om maatregelen te nemen als er valgevaar bestaat. En daarvan is, zo leert het artikel, in elk geval sprake bij aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden, openingen in vloeren, of als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen.

 

Volgens de onderzoekscommissie is duidelijk dat er een associatie is tussen de hoogte waarvan iemand valt en de mate en omvang van letsel of de kans op sterfte. Hoe groter de valhoogte, hoe meer kans op ernstig letsel en sterfte. Dat is ook voor een leek helder. Maar de commissie vindt ook dat het niet mogelijk is een veilige (of gezondheidskundige) grens voor de valhoogte op basis van de beschikbare kennis voor te stellen. Wel bepleit de commissie meer aandacht voor bewustwording van werkgevers dat ook werken op hoogtes lager dan 2,5 meter risico’s kan meebrengen en dat ook in dat geval maatregelen nodig zijn.

 

En dat blijkt ook uit de tot nu toe bekende rechtspraak, waarbij werkgevers veroordeeld werden ondanks een valhoogte van minder dan 2,5 meter!

 

 

Val van 60 cm

 

Bij het slachten van varkens valt een slager in een slachthuis van een werkbordes in de afvoergoot. Bij de val komt het mes in zijn oog terecht en hij loopt ernstig oogletsel op. Het werkbordes is 60 centimeter hoog en niet voorzien van een railing. De Staatssecretaris van SZW legt een boete op van € 5.400. Bezwaar en beroep worden afgewezen en de werkgever gaat in beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat, zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer is aangebracht of dat het gevaar is tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen (art. 3.16, eerste lid Arbobesluit). Het valgevaar moet worden tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen e.d. Dat is in ieder geval noodzakelijk als het valgevaar 2,50 meter of meer is. Als het valgevaar vanaf statische constructies gepaard gaat met risicoverhogende omstandigheden, zoals het gevaar te vallen op of langs uitstekende delen, de aanwezigheid van verkeer, het vallen in water e.d., moet randbeveiliging, afhankelijk van het risico, ook bij geringer valgevaar wordt aangebracht.

 

Volgens de werkgever is er geen sprake van risicoverhogende omstandigheden. Het ongeluk is veroorzaakt doordat het mes van de werknemer bij de val in zijn oog terecht kwam. Dit risico is niet specifiek aan de val verbonden en daarom was er geen sprake van risicoverhogende omstandigheden en was randbeveiliging niet verplicht. De Afdeling is het daar niet mee eens. Art. 3.16 Arbobesluit laat geen ruimte voor een beperkte uitleg van het begrip risicoverhogende omstandigheden. Het werkbordes was relatief klein (1,5 bij 1,2 meter), er kon sprake zijn van gladheid, er werden messen gebruikt en werknemers moeten zich bij het draaien van een karkas naar de rand van het werkbordes begeven. Dit zijn allemaal risicoverhogende omstandigheden. Door geen randbeveiliging aan te brengen is gehandeld in strijd met artikel 3.16 Arbobesluit (2).

 

….en van 1,65 meter
 

Twee werknemers moeten in het kader van een renovatie enkele deurkozijnen slopen. Zij gebruiken daarvoor een simpel steigertje van 1,65 meter hoog met één werkvloer en geen leuningen. Een van hen probeert op zeker moment om met een koevoet een bovendorpel los te wrikken. Als hij extra kracht zet komt de dorpel los en hij verliest zijn evenwicht. Hij komt tegen een uitstekend framedeel van de steiger en valt achterover op de bestrating. Omdat het gevaar voor vallen onvoldoende is tegengegaan volgt een boete van € 9.000 wegens overtreding van art. 3.16 Arbobesluit, omdat bij het werken op hoogte geen doelmatig hekwerk, leuning of andere voorziening is toegepast. Volgens het ministerie was er sprake van valgevaar wegens risicoverhogende omstandigheden, zoals omschreven in het tweede lid van art. 3.16 Arbobesluit. Daarin staat, dat er in elk geval sprake is van valgevaar bij aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden, openingen in vloeren of als het gevaar bestaat om 2,50 meter of meer te vallen. De zinsnede “in elk geval” uit de wettekst duidt er op, dat ook andere omstandigheden risicoverhogend kunnen zijn. Daarbij kan worden gedacht aan werkzaamheden waarbij kracht wordt gezet, staande op een steiger zonder doelmatige leuningen (3).

 
… en van 2 meter
 

In een ander zaak snoeit een werknemer met een elektrische heggenschaar een haag. Dat gebeurt staande op een ladder op een hoogte van 2 meter. Als de werknemer teveel opzij hangt, begint de ladder weg te glijden. Hij springt van de ladder maar komt ongelukkigerwijs met zijn arm in de punt van een tussen de haag staand ijzeren hek en raakt ernstig gewond. De werkgever krijgt een boete wegens overtreding van art. 16 eerste lid Arbobesluit. De rechtbank is van oordeel, dat het werk vanaf een ladder niet veilig kon worden uitgevoerd en dat de werkgever andere maatregelen had moeten treffen (4).

 

… maar ook bij schuine vlakken
 

Een landmeter verricht meetwerkzaamheden aan een viaduct in aanbouw. De werkvloer ligt op bijna 4 meter boven het maaiveld. Als hij na afloop het bruggenhoofd verlaat struikelt hij op een smal bordes (slechts enkele centimeters breed). Hij wil zich aan een losstaand bekistingsschot vast grijpen maar valt met schot en al langs het talud naar beneden. Zijn val wordt gestuit door een betonnen balk met ziekenhuisopname tot gevolg. De (inlenende) werkgever krijgt een boete van € 5.400. Hij vecht de boete tot aan de Raad van State aan.

 

Allereerst stelt de Afdeling Bestuursrechtspraak vast, dat de inlenende partij de werkgever is. Dat is immers degene aan wie arbeidskrachten ter beschikking worden gesteld. De werkgever stelt, dat er geen valgevaar bestond, omdat het ging om een niet zo stijl, redelijk zacht zandtalud. Maar volgens de Afdeling ging het hier om een loodrecht hoogteverschil van bijna vier meter met een beperkte loopruimte, die nog eens werd versmald door losstaande bekisting. Daarom was er sprake van valgevaar. Daarbij is de hellingshoek niet van belang omdat het talud zo steil was dat de val pas beneden gestuit werd door de betonnen balk. Volgens lid vijf van (de toen nog geldende) Beleidsregel 3.16 geldt valgevaar ook bij schuine vlakken. Voor het bepalen van het mogelijk valgevaar bij een schuin werkvlak moet worden uitgegaan van het hoogste punt dat kan worden betreden. Er was geen instructie om een andere route te nemen, noch waren er anderszins aanwijzingen gegeven over een veilige looproute. Het beroep wordt verworpen (5).

 

Conclusie

 

Uit deze voorbeelden blijkt in elk geval, dat er sprake is van een ruime uitleg van het begrip risicoverhogende omstandigheden. Het is daarbij niet zo belangrijk, wat nu precies de hoogte is waarop gewerkt wordt. Maar dat het nuttig en zinvol is, aan te sluiten bij het advies van de gezondheidsraad. En goed voor ogen te houden, dat de aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden mede bepalend kunnen zijn voor het al dan niet treffen van den nodige maatregelen om vallen te voorkomen. En dat kan vaak al het geval zijn op veel minder dan de in de wet vermelde hoogte van 2,5 meter!

 

Noten:
[1] Gezondheidsraad, 2013; publicatienr. 2013/36. ISBN  978-90-5549-985-4
[2] Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, 29 december 2004, LJN AR 8353
[3] Minister van SZW, 6 mei 2013 (niet gepubliceerd)
[4] Rechtbank Breda, 22 oktober 2007 ( niet gepubliceerd)
[5] Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, 3 mei 2006, LJN AW7337eter!