Arbowet in strijd met EU-Kaderrichtlijn?

Beschermingsniveau daalt

Bron

Auteur

Datum

:

:

:

Arbo

Mr. ing. Rob Poort

Nr. 6, 2007

 

 

mr. ing. R.O.B. Poort, voorzitter van de werkgroep Wet- en regelgeving van de NVVK

 

Gaat de geschiedenis zich herhalen? Mei 2003 oordeelde het Europese Hof dat de toenmalige Nederlandse Arbowet in strijd was met de Europese Kaderrichtlijn Veiligheid en gezondheid op het werk(1). Daarmee beslechtte Luxemburg vele jaren van discussie tussen Den Haag en Brussel. Aanleiding was de manier waarop Nederland artikel 7 van de Kaderrichtlijn had geïmplementeerd. Ons land gaf werkgevers de gelegenheid om alle preventieactiviteiten buitenshuis onder te brengen bij arbodiensten. Dat was de bedoeling niet, bepaalde het Hof. Werkgevers behoorden preventieactiviteiten in eerste instantie intern te organiseren.

Krap twee jaar later paste Nederland de Arbowet op deze uitspraak aan. In juni 2005 verviel de verplichte aansluiting bij de arbodienst. In plaats daarvan verplichtte de regering werkgevers om een interne medewerker met preventietaken aan te wijzen.

Vervolgens nam toenmalig staatssecretaris Van Hoof de complete Arbowet en het Arbobesluit onderhanden. Om de regeldruk te verminderen, schrapte hij een groot deel van de niet op een Europese verordening gebaseerde regels. Verder herdefinieerde hij de rollen van overheid en sociale partners. De overheid beperkte zich voortaan tot het voorschrijven van een minimum beschermingsniveau. Het realiseren van dat niveau werd een verantwoordelijkheid van werkgever en werknemers samen. Op 1 januari 2007 traden deze nieuwe regels in werking.

 

Kemphanen

De kans is groot dat Brussel en Den Haag straks weer als kemphanen tegenover elkaar staan. Want de Kaderrichtlijn biedt lidstaten feitelijk weinig ruimte om niet-Europese regels te schrappen. In de preambule – zeg maar de inleiding – staat duidelijk dat het implementeren van de richtlijn in de lidstaten geen rechtvaardiging mag vormen voor een verlaging van het reeds bereikte beschermingsniveau. In artikel 1 lid 3 van de Richtlijn wordt deze zogenoemde non-regressie bepaling nog eens expliciet herhaald(2).

 

Van Hoof leek er indertijd echter van overtuigd dat hij in overeenstemming met de Kaderrichtlijn handelde. Bij zijn schrapoperatie beriep hij zich er regelmatig op. De nieuwe regels zouden beter aansluiten bij de richtlijn, of de richtlijn zou bepaalde wijzigingen juist niet in de weg staan.

 

In de aanloop naar de nieuwe arboregelgeving wezen diverse partijen de bewindsman op mogelijke schending van het EG-verdrag. Zo schreef Van Hoof naar aanleiding van vragen van de Stichting van de Arbeid (STAR)(3) dat hij de richtlijn onderschreef, maar dat hij wetswijzigingen op basis van beleidsevaluatie mogelijk achtte.

 

Van Hoofs stelling laat zich echter moeilijk rijmen met bijvoorbeeld het schrappen van de beschermingsbepalingen voor medewerkers van benzinestations. Volgens de staatssecretaris zou dit echter niet tot een verminderd beschermingsniveau leiden. Integendeel, in een brief aan de STAR schrijft hij dat het schrappen tot doel heeft om de arbeidsomstandigheden in het bedrijf juist te verbeteren. “Niet door meer regels maar door maatwerk, waarbij de sociale partners een belangrijke rol vervullen”(4) . Ook Kamervragen wimpelde de bewindsman op vergelijkbare wijze af.

 

Vermindering beschermingsniveau

Toch is het een feit dat de overheid zich terugtrekt onder gelijktijdige vermindering van het wettelijk vastgestelde beschermingsniveau, of werkgevers en werknemers nu meer verantwoordelijkheden krijgen – en nemen – of niet. Dit is wel degelijk strijdig met de kaderrichtlijn. Die richt zich immers niet tot de burgers maar tot de overheid van een lid-staat. En de overheid kan een deel van die verantwoordelijkheden dus niet zo maar bij de sociale partners droppen!

Hier valt tegenin te voeren – zoals van Hoof ook deed – dat indertijd de kaderrichtlijn correct is geïmplementeerd en dat het is toegestaan om de geïmplementeerde regels aan te passen aan gewijzigde inzichten. Dat klopt op zich. De richtlijn geeft immers de minimale voorschriften en een land mag daarbovenuit gaan, zeker als de omstandigheden of de techniek dit ook mogelijk maken. Dat heet optimaliseren.

Maar met de nieuwe arboregelgeving daalt Nederland af van het bereikte niveau naar het lagere gemiddelde minimale beschermingsniveau van Europa. Dat is dus geen optimaliseren, maar gewoon in strijd met de richtlijn.

 

Preventiemedewerker

Maar niet alleen de verlaging van het beschermingsniveau is in strijd met de Kaderrichtlijn. De manier waarop Nederland deskundigheidseisen stelt aan de zogenaamde preventiemedewerker is dat ook. Sinds juni 2005 verplicht de Arbowet werkgevers om een zogenaamde interne deskundige aan te wijzen (daarvoor waren ze verplicht aangesloten bij een arbodienst). In de toelichting wordt deze deskundige ‘preventiemedewerker’ genoemd. De verplichting tot de aanstelling van een preventiemedewerker vloeit voort uit artikel 7 van de Kaderrichtlijn. Hierin staat dat werkgevers één of meerdere werknemers moeten aanwijzen die zich bezighouden met preventie van beroepsrisico’s.

In de praktijk stelt de Arbowet geen dwingende deskundigheidseisen aan de preventiemedewerker: die moet namelijk blijken uit de risicoinventarisatie en -evaluatie (RI&E). Dat is op zich conform de Richtlijn, waarin staat dat de Lidstaten bepalen over welke capaciteiten en bekwaamheden de aangewezen werknemers moeten beschikken.

Het probleem is allereerst dat in de praktijk de deskundigheid van de preventiemedewerker nauwelijks op de RI&E wordt afgestemd. Harde cijfers hierover ontbreken, maar de ervaring van de auteur is dat zelfs grote ondernemingen de deskundigheidseisen van hun preventiemedewerk(s) niet op de RI&E baseren.

Daarnaast geeft Nederland wel heel erg veel werkgevers de mogelijkheid om zelf de functie van preventiemedewerker te vervullen. Aanvankelijk gold dit alleen voor werkgevers met minder dan 15 werknemers, door de motie Aptroot is dit getalscriterium verhoogd naar 25 . De enige randvoorwaarde die de wet stelt, is dat de werkgevers over voldoende deskundigheid moet beschikken, waarbij de benodigde expertise wordt bepaald aan de hand van de RI&E.

Nu zal elke werkgever zich zelf al gauw als voldoende gekwalificeerd beschouwen. Daar is geen RI&E voor nodig! Bovendien beschikken veel kleinere werkgevers niet over een getoetste RI&E. De toetsingsplicht van de RI&E is immers verruimd van organisaties met meer dan 10 naar meer dan 25(5) werknemers. Hierdoor wordt het afstemmen van de benodigde deskundigheid op de RI&E een lege huls.

Overigens heeft Nederland noch de verhoging van het getalscriterium, noch de verruiming van de toetsingsplicht aan Brussel voorgelegd. Voorzover Brussel naar de nieuwe arboregelgeving heeft gekeken, heeft ze die dus alleen in de oude context gewogen.

In kleinere organisaties blijft de gekwalificeerde aanstelling van een preventiemedewerker dus achterwege. Daardoor hebben honderdduizenden werknemers geen toegang tot een (onafhankelijke) deskundige. Ook dat houdt een vermindering in van hun beschermingsniveau. Bovendien betekent het dat de werkgevers feitelijk geen interne deskundigheid hebben georganiseerd. Daarmee voldoet Nederland nog steeds niet aan de eisen van het Europese Hof.

 

Beroering

Zeker nu de arbowereld heftig in beroering is en naarstig zoekt naar de invulling van wat de wetgever eigenlijk heeft nagelaten, zou het zinnig zijn dat de Europese Commissie zich weer eens buigt over de wijze waarop de Nederlandse overheid de kaderrichtlijn alsnog heeft geïmplementeerd. Want we mogen gerust betwijfelen of zij dit op de juiste wijze heeft gedaan.

 

  1. Richtlijn 89/391/EEG van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk.
  2. Art. 1 lid 3 luidt: Deze richtlijn doet geen afbreuk aan bestaande of toekomstige nationale en communautaire bepalingen die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk.
  3. STAR: Stichting van de Arbeid.
  4. Van Hoof aan de STAR, 5 juli 2006, kenmerk ARBO/A&V/2006/71517,
  5. Kamerstukken II 2005/06, 29 515, nr. 127.