Geen notie, wel motie

Kamerleden willen preventiemedewerker pas bij 25 medewerkers.

Bron

Auteur

Datum

:

:

:

Arbo

Mr. ing. Rob Poort

Nr. 3, 2006 

 

 

Als het aan de Tweede Kamer ligt, hoeven bedrijven pas een preventiemedewerker aan te stellen als ze minimaal 25 werknemers in dienst hebben. In januari stemde een grote meerderheid in met een motie van deze strekking en werd de regering tevens verzocht deze ‘overbodige Europese regel’ te laten schrappen. Over het slechte geheugen van Kamerleden en de desinteresse voor arbeidsomstandigheden.
 

Mr. ing. Rob Poort

Jurist en veiligheidskundige en voorzitter van de Werkgroep Wet- en Regelgeving van de NVVK

De plicht om een preventiemedewerker aan te stellen drukt als een loden last op het Nederlandse bedrijfsleven. Daarom moet die regel voor het grootste deel van de ondernemingen worden afgeschaft. Dat is – in het kort – de strekking van een motie die op 31 januari is ingediend door de Kamerleden Aptroot, Bakker en Van As. Zij vragen de preventiemedewerker in de kleine bedrijven pas verplicht te stellen bij 25 werknemers of meer. Bij kleinere bedrijven kan de ondernemer immers zelf die rol op zich nemen.

De Kamerleden droegen merkwaardige argumenten aan. De wettelijke verplichting moet worden afgeschaft omdat aanbieders van opleidingen voor preventiemedewerkers haar misbruiken om de kleine ondernemers op kosten te jagen. Bovendien zou de preventiemedewerker uitvloeisel zijn van overbodige Europese regelgeving – een onjuiste voorstelling van zaken.

Nog merkwaardiger was het dat de motie werd aangenomen door een grote Kamermeerderheid, waaronder ook de PvdA! Omdat de Kamerleden blijkbaar niet beschikten over de feiten, is het belangrijk ze nog eens op een rijtje te zetten.

 

 

Terugblik

 

Op 1 juli 2005 werd het Nederlandse arbolandschap verrijkt met de preventiemedewerker. Op grond van het gewijzigde artikel 13 Arbowet wijst de werkgever deskundige werknemers aan die belast zijn met de algemene bijstand bij de preventietaken. Deze medewerkers verlenen medewerking aan het opstellen van een RI&E en de uitvoering van de maatregelen die daaruit voortvloeien.

Met deze wetswijziging van 1 juli gaf de Nederlandse overheid invulling aan het arrest van het Europese Hof van 22 mei 2003. De Europese Commissie vond dat Nederland de Europese Kaderrichtlijn (89/391/EEG) niet juist had geïmplementeerd in de Arbowet van 1998. Nederland bestreed dat en daarom stapte de Commissie naar het Hof. Dat gaf de Commissie gelijk en sprak uit dat op grond van de Richtlijn de deskundige bijstand bij de preventieve verantwoordelijkheden van de werkgever bij voorrang binnen het bedrijf beschikbaar moet zijn. Daarom werd de wet zodanig gewijzigd dat in elk bedrijf een (interne) preventiemedewerker moest worden aangesteld. Alleen als een bedrijf een omvang had van minder dan vijftien werknemers, kon de werkgever deze taak zelf uitvoeren. Mits hij voldoende deskundigheid had.
 

Deskundigheid


Naar mijn mening voldoet de wetgever nog steeds niet aan de juiste invulling van de Kaderrichtlijn (zoals ik in december 2004 in ARBO al heb betoogd) en los daarvan betwijfel ik of een en ander in de praktijk werkelijk werkt. Zo is het onduidelijk of er inderdaad preventiemedewerkers zijn aangesteld en in hoeveel bedrijven dat het geval is.

Bovendien: ook als ze wél zijn aangesteld, is het maar de vraag of ze voldoende deskundig zijn. Die deskundigheid zou namelijk moeten worden bepaald op basis van de risico-inventarisatie en evaluatie. Daaruit moet blijken hoeveel van deze functionarissen nodig zijn en wat dan hun eventuele opleidingsniveau is. Hoe dat precies moet, werd niet duidelijk gemaakt: de overheid wenste daar geen nadere regels voor te stellen.

Ook de Arbeidsinspectie geeft geen oordeel of de interne deskundige ondersteuning binnen een bedrijf wel van voldoende kwaliteit is. Dat gebeurt pas in het kader van een periodieke controle of als tekortkomingen in de arbeidsomstandigheden daar aanleiding toe geven. Een wassen neus als je weet dat in ons land per jaar ongeveer één procent van de bedrijven door de Arbeidsinspectie wordt gecontroleerd. En dat de inspectie niet goed weet waarop ze moet letten. Achteraf constateren dat iets niet werkt is natuurlijk veel eenvoudiger. Maar dan heeft het risico, met al zijn mogelijk ongewenste gevolgen, zich inmiddels wel geopenbaard!
 

Discussie over grens

 

Al bij de behandeling van het wetsvoorstel zetten CDA- en VVD-Kamerleden vraagtekens bij die grens van vijftien medewerkers. Zij wilde de scheidslijn plaatsen bij 25 of meer werknemers, gelijk aan de grens van de toetsing van de RI&E, die tegelijkertijd werd gewijzigd. Maar PvdA en andere oppositiepartijen wilden die grens leggen bij tien werknemers, een gedachte die ook de SER had geopperd. Dat sloot aan bij het criterium voor het instellen van een personeelsvertegenwoordiging uit de Wet op de Ondernemingsraden en dat kwam de duidelijkheid alleen maar ten goede.

Maar de staatssecretaris stelde dat met het getalscriterium van vijftien medewerkers uitdrukkelijk gekozen werd voor dezelfde grens als werd toegepast bij de verplichte bedrijfshulpverlening. Ook daar geldt dat die taak door de werkgever mag worden vervuld als er niet meer dan vijftien werknemers in dienst zijn. Overigens zal dat criterium met het oog op het schrappen van de zogenaamde ‘overbodige’ bepalingen van de Nationale Kop op termijn uit de wet verdwijnen.

 

Invoering


Enfin, de wet werd gewijzigd en per 1 juli 2005 deden de preventiemedewerkers hun intrede. Dat ging niet ongemerkt: de markt reageerde direct met allerlei aanbiedingen om deze arme zielen op te leiden. Tot gecertificeerde opleidingen aan toe. Sommige opleidingen werden op verschillende niveaus aangeboden: hbo, mbo of lbo. Er gingen zelfs instituten over tot het certificeren van verschillende niveaus van preventiemedewerkers. Waarmee de verwarring alleen maar toenam.
Het werd zelfs sommige Kamerleden te bont: die stelden vragen over de in hun ogen onjuiste of onheuse wijze waarop dit gebeurde. Ze vroegen of het mogelijk was tegen deze bedrijven op te treden of sancties te treffen tegen bedrijven die misleidende informatie geven over de noodzaak een cursus voor preventiemedewerker te volgen. Op zich merkwaardig: marktwerking was immers het toverwoord.

De staatssecretaris verwees in zijn antwoord naar de SZW-brochure ‘Maatwerk in de arbodienstverlening’. Daarin staat dat de preventiemedewerker een eigen werknemer is die de werkgever ondersteunt bij de dagelijkse zorg voor veiligheid en gezondheid in het bedrijf. Hij moet kennis hebben van risico’s in het bedrijf en van de volgens de RI&E te treffen nodige maatregelen. Als dat het geval is, hoeft hij geen cursus te volgen.
 

Getalscriterium


De wetswijziging is iets meer dan een half jaar van kracht. Maar dat verhinderde de Kamerleden Aptroot, Bakker en Van As dus niet om een motie in te brengen die het getalscriterium weer ter discussie stelt. Een grens bij 25 werknemers of meer dus, in plaats van bij 15.
Jammer en teleurstellend. Ook deze motie wijst weer eens uit dat het geheugen van Kamerleden erg slecht is. Immers, er werd bij de regering ook op aangedrongen meer te ondernemen om de overbodige Europese regelgeving over de preventiemedewerker te laten vervallen. Complete lariekoek: in geen enkele Europese regel staat dat er een preventiemedewerker moet zijn. Dat is door onze ‘eigen’ staatssecretaris verzonnen om een onjuiste regelgeving te repareren op grond van een uitspraak van het Europese Hof! Kennelijk snappen de dames en heren politici niet helemaal waar het over gaat, zeker als het arbeidsomstandigheden betreft.
 

Brief


Als voorzitter van de Werkgroep Wet en Regelgeving van de NVVK heb ik begin januari 2006 een brief aan een aantal leden van de vaste Kamercommissie van SZW gestuurd. We uitten onze zorg over de toekomstige Arbowetgeving. Ook schreven we dat de wettelijke bepaling over de preventiemedewerker volgens ons geen bijdrage levert aan de veiligheid binnen de bedrijven. Gewezen werd op de wel aanwezige deskundigheid binnen de beroepsgroep. Aangeboden werd om met de betrokken Kamerleden nader van gedachten te wisselen over arbeidsomstandigheden in het algemeen en onze visie op de toekomst. Laat ik de reacties kort omschrijven: voor zover men de moeite nam om te reageren was men – op een enkeling na – absoluut niet geïnteresseerd. In plaats van serieus na te gaan denken over de deskundigheid van de preventiemedewerker, wil men deze functie liever afschaffen.

Ik vraag me af hoe we politici nog wel duidelijk kunnen maken dat het bij arbeidsomstandigheden niet uitsluitend gaat om het terugdringen van de regeldruk of het verminderen van de administratieve lasten. Het hoofddoel is nog steeds: het verbeteren van het arbeidsmilieu waardoor een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers wordt gewaarborgd. Dat laatste heb ik niet van mijzelf maar komt uit de preambule van de Kaderrichtlijn. Ik beveel lezing daarvan ten zeerste aan bij de Tweede Kamerleden! Kunnen ze ook lezen dat de richtlijn geen rechtvaardiging mag zijn voor een eventuele verlaging van het reeds bereikte beschermingsniveau. Dat vast met het oog op het schrappen van de Nationale Kop.